Naar boven ↑

Rechtspraak

Fairplay Centers B.V. c.s./werknemers

In eerdere overwegingen over toelaatbaarheid wijziging pensioenlastverdeling ligt verwerping klacht reeds besloten, te weten dat het hof had moeten meewegen dat de GOR met de wijziging heeft ingestemd en dat het overgrote deel van de werknemers niet tegen de wijziging is opgekomen.

Feiten

De Hoge Raad heeft op 29 november 2019 gelijkluidende uitspraken gedaan in geschillen tussen Fair Play Centers B.V. en Janshen-Hahnraths Exploitatie B.V. (hierna gezamenlijk: Fair Play c.s.) enerzijds en hun werknemers anderzijds (zie AR 2019-1274, AR 2019-1275, AR 2019-1276 en AR 2019-1277). Op 4 december 2019 hebben Fair Play c.s. bij brief van hun advocaat de Hoge Raad verzocht de genoemde uitspraken te herstellen (art. 31 Rv) dan wel aan te vullen (art. 32 Rv) omdat daarin de onderdelen 2 en 3 van de (gelijkluidende) cassatiemiddelen door de Hoge Raad niet inhoudelijk zijn behandeld, althans niet op een wijze die kenbaar is. Fair Play c.s. hebben aan dit verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat het voor de praktijk belangrijk is te weten welke betekenis de instemming van de ondernemingsraad heeft voor het antwoord op de vraag of sprake is van een zwaarwichtig belang in de zin van artikel 7:613 BW. De procureur-generaal is in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen. Hij heeft daarvan afgezien.

Oordeel

De Hoge Raad verwijst naar r.o. 3.1.1 en 3.1.3 van de betreffende uitspraken en oordeelt dat in die overwegingen de verwerping besloten ligt van de genoemde klacht van de onderdelen 2 en 3 van de cassatiemiddelen, te weten dat het hof had moeten meewegen dat de GOR met de wijziging heeft ingestemd en dat het overgrote deel van de werknemers niet tegen de wijziging is opgekomen. Uit deze overwegingen volgt voorts dat de in de onderdelen genoemde omstandigheden het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk maken, gegeven de grote betekenis die het hof heeft toegekend aan zijn – in cassatie niet bestreden – oordeel dat voor het loonoffer geen bedrijfseconomische noodzaak bestond. De Hoge Raad wijst het verzoek tot herstel of aanvulling van genoemde uitspraken af.