Naar boven ↑

Rechtspraak

Syndicat CFTC
Hof van Justitie van de Europese Unie, 18 november 2020
ECLI:EU:C:2020:932
Opvoedingsverlof voor uitsluitend vrouwen onder omstandigheden niet in strijd met gelijke behandeling man/vrouw

Feiten

CY is door de CPAM als werknemer in dienst genomen voor de functie van ‘controleur uitkeringen, in de positie van medewerker of manager’. Hij is vader van een in april 2016 geboren kind. Op grond daarvan heeft hij verzocht om toekenning van het verlof als bedoeld in artikel 46 van de collectieve arbeidsovereenkomst, dat de werkneemster die zelf haar kind opvoedt, na afloop van het in artikel 45 van die collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde verlof, recht geeft op drie maanden verlof met behoud van een half salaris of anderhalve maand verlof met behoud van het volledige salaris en vervolgens een jaar onbetaald verlof. De CPAM heeft het verzoek van CY afgewezen omdat het in artikel 46 van de collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde voordeel is voorbehouden aan werkneemsters die zelf hun kind opvoeden. Het Syndicat CFTC verzocht de directie van het socialezekerheidsorgaan om de bepalingen van artikel 46 van de collectieve arbeidsovereenkomst ook van toepassing te verklaren op mannelijke werknemers die zelf hun kind opvoeden. Dit verzoek werd afgewezen op grond dat het bedoelde verlof volgens de bewoordingen van dit artikel, waarin het woord ‘werkneemster’ in de vrouwelijke vorm wordt gebruikt, enkel aan de moeder van het kind wordt toegekend en dat dit artikel niet discriminerend is, aangezien het een aanvulling is op artikel 45 van de collectieve arbeidsovereenkomst, dat alleen aan vrouwen bepaalde voorzieningen toekent. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of Richtlijn 2006/54/EG aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn in de weg staat aan een bepaling van een nationale collectieve arbeidsovereenkomst waarin het recht op verlof na afloop van het wettelijke zwangerschapsverlof wordt voorbehouden aan werkneemsters die zelf hun kind opvoeden en mannelijke werknemers het recht op een dergelijk verlof wordt ontzegd.

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.

Opvoedingsverlof voor uitsluitend vrouwen onder omstandigheden niet in strijd met gelijke behandeling man/vrouw

Dit zwangerschapsverlof strekt ertoe te waarborgen dat ten eerste de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap wordt beschermd en ten tweede de bijzondere relatie tussen moeder en kind in de periode na de zwangerschap en de bevalling wordt beschermd door te voorkomen dat deze relatie wordt verstoord door een cumulatie van lasten ten gevolge van de gelijktijdige verrichting van beroepsbezigheden (HvJ EG 12 juli 1984, Hofmann, zaak C-184/83, ECLI:EU:C:1984:273, punt 25, en HvJ EU 4 oktober 2018, Dicu, zaak C-12/17, ECLI:EU:C:2018:799, punt 34). Bovendien ontneemt Richtlijn 92/85/EG, die minimumvereisten bevat, de lidstaten geenszins de bevoegdheid om werkneemsters die zwanger of pas bevallen zijn dan wel borstvoeding geven, meer bescherming te bieden door beschermingsmaatregelen te behouden of in te voeren die voor hen gunstiger zijn, mits die maatregelen verenigbaar zijn met de Unierechtelijke bepalingen (HvJ EU 13 februari 2014, TSN en YTN, gevoegde zaken C-512/11 en C-513/11, ECLI:EU:C:2014:73, punt 37, en HvJ EU 14 juli 2016, Ornano, zaak C-335/15, ECLI:EU:C:2016:564, punt 35). Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat een maatregel als een zwangerschapsverlof dat na de wettelijke beschermingstermijn aan de vrouw wordt toegekend, binnen de werkingssfeer van artikel 28 lid 1 Richtlijn 2006/54/EG valt, aangezien deze bepaling ertoe strekt de vrouw te beschermen met betrekking tot de gevolgen van zowel de zwangerschap als haar moederschap. Daarom kan een dergelijk verlof worden voorbehouden aan de moeder, met uitsluiting van ieder ander. Alleen de moeder kan immers onder de ongewenste pressie van voortijdige werkhervatting komen te staan (zie in die zin HvJ EG 12 juli 1984, Hofmann, zaak C-184/83, ECLI:EU:C:1984:273, punt 26).

Het Hof heeft aangaande het ouderschap uiteengezet dat de respectieve situaties van een mannelijke werknemer en een vrouwelijke werknemer die ouder zijn, vergelijkbaar zijn wat de opvoeding van de kinderen betreft (HvJ EG 25 oktober 1988, Commissie/Frankrijk, zaak C-312/86, ECLI:EU:C:1988:485, punt 14, en HvJ EU 12 december 2019, Instituto Nacional de la Seguridad Social (Pensioentoeslag voor moeders), zaak C-450/18, ECLI:EU:C:2019:1075, punt 51). Bijgevolg kunnen maatregelen ter bescherming van vrouwen in hun hoedanigheid van ouder hun rechtvaardiging niet vinden in artikel 28 lid 1 Richtlijn 2006/54/EG (zie in die zin HvJ EG 29 november 2001, Griesmar, zaak C-366/99, ECLI:EU:C:2001:648, punt 44). Uit de rechtspraak van het Hof volgt dus dat een lidstaat een aanvullend verlof voor de periode na het verstrijken van het wettelijke zwangerschapsverlof aan de moeder van het kind mag voorbehouden wanneer dit aanvullende verlof geen betrekking heeft op haar hoedanigheid van ouder, maar op de gevolgen van zowel de zwangerschap als haar moederschap.

Conclusie

Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 14 en 28 Richtlijn 2006/54/EG, gelezen in samenhang met Richtlijn 92/85/EG, aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een bepaling van een nationale collectieve arbeidsovereenkomst waarin het recht op verlof na afloop van het wettelijke zwangerschapsverlof wordt voorbehouden aan werkneemsters die zelf hun kind opvoeden, op voorwaarde dat dit aanvullende verlof ertoe strekt werkneemsters te beschermen met betrekking tot de gevolgen van zowel de zwangerschap als hun moederschap, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan, waarbij hij in het bijzonder rekening moet houden met de voorwaarden voor toekenning van dat verlof, de uitvoeringswijze en de duur ervan, alsmede de omvang van de daarbij geboden rechtsbescherming.