Naar boven ↑

Rechtspraak

Gemeente Tynaarlo/werknemer
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 3 maart 2021
ECLI:NL:RBNNE:2021:1106
Ontbinding arbeidsovereenkomst gemeenteambtenaar. Kantonrechter volgt (pre-Wnra-)rechtspraak Centrale Raad van Beroep. Transitievergoeding en aanvullende en nawettelijke WW-uitkering worden niet door de WNT genormeerd.

Feiten

Werknemer is per 1 augustus 2014 bij de gemeente Tynaarlo (hierna: de Gemeente) als gemeentesecretaris aangetreden. Door de Wnra is de aanstelling per 1 januari 2020 omgezet in een arbeidsovereenkomst als bedoeld in titel 10 van Boek 7 BW. Sindsdien is de Cao Gemeenten op de arbeidsovereenkomst van toepassing. Als gemeentesecretaris geeft werknemer leiding aan een managementteam dat bestaat uit vijf managers en drie adviseurs. Vier van de vijf managers hebben in november 2020 aangegeven dat sprake was van een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen hen en werknemer. De Gemeente heeft werknemer op 20 november 2020 geschorst. Op 25 november 2020 heeft het College van burgemeester & wethouders het formele besluit genomen de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden. De Gemeente verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De Gemeente verzoekt het ontbindingsverzoek alleen toe te wijzen indien in rechte wordt vastgesteld dat werknemer – van wie het salaris door de Wet normering topinkomens (WNT) wordt genormeerd – bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst recht heeft op de wettelijke transitievergoeding, alsmede de boven- en nawettelijke uitkeringen bedoeld in hoofdstuk 10 van de Cao Gemeenten, met de mogelijkheid van afkoop tegen 30% van de totale waarde van de aanspraken. Werknemer refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.

Oordeel

Partijen zijn het erover eens zijn dat de arbeidsrelatie inmiddels ernstig en onherstelbaar is verstoord. Dit maakt de positie en het verdere functioneren van werknemer als gemeentesecretaris onmogelijk. Herplaatsing van werknemer ligt, vanwege de functie die hij thans bij de Gemeente betrekt, niet in de rede. Gelet hierop kan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, mits de voorwaarden waaronder dit verzoek is ingediend, zijn vervuld, worden toegewezen. In het kader van het toewijzen van het ontbindingsverzoek is, gelet op de wijze waarop het verzoek door de Gemeente is ingekleed, van belang of de door de Gemeente aan werknemer te betalen transitievergoeding, alsmede de aanvullende en nawettelijke WW-uitkering, onder de uitzondering van artikel 1.1 sub i van de WNT vallen en niet door de WNT worden genormeerd. In artikel 1.1 sub i WNT zijn uitkeringen die voortvloeien uit een algemene bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst, een van toepassing zijnde collectieve regeling of uit een wettelijk voorschrift van de WNT uitgesloten. In artikel 4 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit WNT is hieraan toegevoegd dat de uitzondering alleen geldt voor zover de uitkering rechtstreeks, dwingend en eenduidig daaruit voortvloeit. Voor de aan werknemer te betalen transitievergoeding geldt dat deze voortvloeit uit een wettelijk voorschrift en daardoor onder de uitzondering valt van artikel 1.1 onder i WNT. Aan de voorwaarden van artikel 7:673 lid 1 BW is in het onderhavige geval voldaan. De verzochte verklaring voor recht op dit punt ligt daarom voor toewijzing gereed. Met betrekking tot de aanvullende en nawettelijke WW-uitkering overweegt de kantonrechter dat artikel 24 van de Cao Gemeenten bepaalt dat de werkgever die het voornemen heeft de kantonrechter te vragen de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding te ontbinden, voor die werknemer een passende regeling moet treffen. Bij die passende regeling betrekt de werkgever, voor zover dat redelijk en billijk is, kort gezegd de aanvullende en nawettelijke WW-regeling uit hoofdstuk 10 van de cao. De kantonrechter overweegt dat vóór de Wnra op gemeenteambtenaren de rechtspositieregeling CAR/UWO van toepassing was, waarin in artikel 10d:4 een bijna identieke tekst als het huidige artikel 10:24 van de Cao Gemeenten was opgenomen met betrekking tot het treffen van een passende regeling voor een ambtenaar die onder meer ontslagen wordt wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De Centrale Raad van Beroep heeft onder het regime van de CAR/UWO geoordeeld dat de passende regeling, waarin de wachtgeldregeling moest worden betrokken, viel onder de uitzondering bedoeld in artikel 1.1 onder i WNT, alsmede dat een eenmalige afkoop van de uitkeringsrechten die voortvloeien uit de CAR/UWO moest worden geacht rechtstreeks, dwingend en eenduidig uit de rechtspositieregeling voort te vloeien, mits werd uitgegaan van de gebruikelijke afkoopwaarde (CRvB 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:216 en CRvB 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1924). De topfunctionaris had bij een ontslag in beginsel recht op een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering en – als het ontslag gelegen was in de werksfeer en niet grotendeels aan de topfunctionaris zelf te wijten was – een na-wettelijke uitkering. Uit de Wnra kan niet worden afgeleid dat de wetgever met de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren een materiële wijzing op het punt van de bovenwettelijke WW uitkeringen voor ambtenaren heeft willen aanbrengen. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep op dit punt door de kantonrechter wordt gevolgd en ook thans geldt dat de door de Gemeente getroffen passende regeling waarin aan werknemer een aanvullende en nawettelijke WW-uitkering wordt toegekend onder de uitzondering van artikel 1.1 onder i WNT valt. De verzochte verklaring voor recht op dit punt ligt daarom voor toewijzing gereed. Nu de voorwaarden waaronder de Gemeente heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden zijn vervuld, ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen.