Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18 september 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:13181
Werknemer die zich ziekmeldt en per direct naar een verslavingskliniek in Thailand vertrekt, heeft geen recht op doorbetaling van het loon gedurende de ziekteperiode, nu niet vast is komen te staan dat werknemer arbeidsongeschikt was.

Feiten

Op 1 mei 2018 is werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij werkgever. Op 5 maart 2019 heeft hij zich ziek gemeld. Op 13 maart heeft hij werkgever telefonisch medegedeeld dat hij op 14 maart 2019 zou afreizen naar Thailand voor behandeling van verslavingsproblematiek in een kliniek. Werknemer is op 14 maart 2020 daadwerkelijk afgereisd naar Thailand. Bij brief van 9 april 2019 heeft werkgever hem bericht dat hij werknemers situatie heeft besproken met de arbodienst en dat daaruit voortvloeit dat werknemer door zijn vertrek naar het buitenland niet medisch onderzocht kan worden. Hierdoor is werknemer volgens werkgever tot en met het einde van de huidige arbeidsovereenkomst – die eindigt op 30 april 2019 – niet in staat om werk te verrichten en om die reden zal het vertrek gezien worden als het opnemen van onbetaald verlof. Het dienstverband van werknemer is per 30 april geëindigd, zonder dat loon is betaald over de periode van 15 maart 2019 tot en met 30 april 2019. Werkgever legt hieraan ten grondslag dat werknemer, door zijn vertrek naar het buitenland, de arbodienst volledig buiten spel heeft gezet en niet de mogelijkheid heeft gegeven een plan van aanpak op te kunnen stellen met werknemer. Dit alles zorgt er volgens werkgever voor dat hij niet anders kan concluderen dan dat werknemer zich niet aan de re-integratieverplichtingen van artikel 7:629 lid 3 onder e BW heeft gehouden. Dit betekent dat de loonbetalingsverplichting is opgeschort. Werkgever betwist bij gebrek aan door ArboNed te verifiëren gegevens dat sprake is van een verhindering om de werkzaamheden te verrichten anders dan dat werknemer ieder werk of iedere re-integratie fysiek onmogelijk heeft gemaakt door het zelfgekozen vertrek naar het buitenland. Bevestiging van opname in de kliniek, inclusief vastgestelde stoornissen, volgt op 16 mei 2019. Werknemer verzoekt werkgever te veroordelen tot betaling van een brutobedrag van € 3.926,40, bestaande uit het loon over de periode van 15 maart 2019 tot en met 30 april 2019, inclusief wettelijke verhoging, op grond van artikel 7:629 BW.

Oordeel

Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer zich op 5 maart 2019 ziek heeft gemeld en vanaf die datum geen werkzaamheden meer voor werkgever heeft verricht. Centraal staat het feit dat geen deskundigenverklaring is overgelegd en werkgever heeft betwist dat werknemer verhinderd was om de werkzaamheden te verrichten. Werknemer stelt dat hij tijdens zijn verblijf in de kliniek in Thailand bij het UWV een aanvraag voor een deskundigenverklaring heeft ingediend, maar dat zijn aanvraag niet in behandeling werd genomen omdat hij in het buitenland verbleef. Tevens stelt hij dat hij bij terugkomst in Nederland nogmaals een aanvraag heeft ingediend. Ook deze aanvraag werd volgens werknemer niet in behandeling genomen, omdat de arbeidsovereenkomst reeds was geëindigd en werknemer inmiddels een uitkering op grond van de Ziektewet toegewezen had gekregen. Beide aanvragen van werknemer zijn door werkgever betwist. De kantonrechter is van oordeel dat, mede in ogenschouw nemend dat met het bijvoegen van een deskundigenoordeel is beoogd de rechtspositie van werknemer te versterken, in dit geval in redelijkheid niet van werknemer kan worden gevergd alsnog een verklaring van een UWV-deskundige bij de loonvordering te voegen. Werknemer is dan ook ontvankelijk in zijn vordering. Vervolgens moet worden beoordeeld of werknemer in de betreffende periode, 15 maart tot en met 30 april 2019, arbeidsongeschikt was. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend, nu uit de brief van de behandeld arts wel blijkt dat werknemer aan enkele stoornissen lijdt, maar niet dat werknemer als gevolg van deze stoornissen niet in staat was om te werken. Uit de brief kan dan ook niet worden afgeleid dat werknemer in deze periode arbeidsongeschikt was, zodat niet kan worden vastgesteld dat werknemer over deze periode recht had op loon. De vordering zal dan ook worden afgewezen.