Naar boven ↑

Rechtspraak

Wettelijke ontslagleeftijd voor rechters (zeventig jaar) levert geen verboden onderscheid naar leeftijd op.

Feiten

Appellant was als rechter en laatstelijk als rechter-plaatsvervanger werkzaam bij de rechtbank te Amsterdam. Bij koninklijk besluit van 10 december 2019 is aan appellant met ingang van 1 januari 2020 eervol ontslag verleend uit zijn ambt, vanwege het bereiken van de zeventigjarige leeftijd. Bij besluit van 14 juli 2020 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 december 2019 ongegrond verklaard. Appellant betwist het bestreden besluit op de grond dat door toepassing van de wettelijke leeftijdsgrens een verboden onderscheid naar leeftijd wordt gemaakt en beroept zich daarbij voornamelijk op het Unierecht, met name het Handvest van de Grondrechten van de EU en Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (hierna: de Richtlijn).

Oordeel

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Artikel 117 lid 1 Grondwet bepaalt dat de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad bij koninklijk besluit voor het leven worden benoemd. Het tweede lid bepaalt dat zij op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden ontslagen. Artikel 46h lid 3 Wrra stelt die leeftijd op zeventig jaar. Aan die ontslagleeftijd voor rechterlijk ambtenaren heeft de wetgever twee doelstellingen ten grondslag gelegd. De eerste doelstelling is het bevorderen van de doorstroming binnen de rechterlijke organisatie en de tweede doelstelling is het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Deze doelstellingen zijn legitiem, zoals appellant ook erkent. Appellant bestrijdt echter dat het leeftijdsonderscheid een passend en noodzakelijk middel is om die doelstellingen te bereiken. De Raad is van oordeel dat het hanteren van een vaste ontslagleeftijd voor rechterlijk ambtenaren allereerst een passend middel is om genoemde doestellingen te bereiken. Daarmee wordt immers bereikt dat er functies beschikbaar komen voor andere, jongere rechterlijk ambtenaren met de vereiste kwalificaties. Rechterlijk ambtenaren worden voor het leven benoemd en er is een beperkt aantal plaatsen beschikbaar. In die situatie is een vaste ontslagleeftijd een niet onredelijk middel om de werkgelegenheid over de generaties te verdelen en ontstaat er een evenwichtige en diverse personeelsopbouw, die bijdraagt aan de kwaliteit van de rechtspraak. Daarnaast wordt met een vaste ontslagleeftijd voorkomen dat individuele beslissingen over het functioneren van oudere rechters moeten worden genomen. Gelet op de benoeming voor het leven (onafzetbaarheid) draagt dit bij aan het waarborgen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Dit alles geldt ook voor rechter-plaatsvervangers. De Raad acht de vaststelling van de leeftijdsgrens op zeventig jaar niet onredelijk. Die leeftijd lijkt voldoende vergevorderd om als einde van de aanstelling te dienen. Wat betreft de noodzakelijkheid is de Raad van oordeel dat de ontslagleeftijd van zeventig jaar de belangen van de betrokken rechters niet buitensporig schaadt en dus niet verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Dat de gemiddelde levensverwachting inmiddels aanzienlijk is gestegen, maakt niet dat de wetgever door het handhaven van die leeftijdsgrens de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan. Dat het beleid van de regering in zijn algemeenheid is gericht op langer doorwerken en een latere pensionering, leidt evenmin tot een ander oordeel. Dat appellant op basis van de Tweede Verzamelspoedwet COVID-19 tot 73 jaar mag doorwerken is volgens de Raad een tijdelijke bijzondere maatregel voor een uitzonderlijke situatie, die verder niet afdoet aan de actualiteit of rechtmatigheid van de leeftijdsgrens van zeventig jaar in zijn algemeenheid. Het beroep wordt ongegrond verklaard.