Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 7 juni 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:944
Feiten
Werkneemster is op 4 januari 2021 in dienst getreden bij Teamleiders.nu B.V. op basis van een uitzendovereenkomst. Werkneemster is ter beschikking gesteld aan een inlener. Op de uitzendovereenkomst is de ABU-Cao van toepassing. In de uitzendovereenkomst staat een uitzendbeding opgenomen. Op 7 mei 2021 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Teamleiders.nu heeft met een beroep op het uitzendbeding de uitzendovereenkomst op 12 mei 2021 beëindigd. Tussen partijen is in geschil of de uitzendovereenkomst op rechtsgeldige wijze tot een einde is gekomen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Teamleiders.nu, ondanks de ziekmelding van werkneemster, de uitzendovereenkomst met een beroep op het uitzendbeding op rechtsgeldige wijze heeft beëindigd (zie AR 2022-0230). Werkneemster verzoekt in hoger beroep toekenning van een billijke vergoeding van € 7500 bruto. Zij stelt zich op het standpunt dat het opzegverbod tijdens ziekte in de weg stond aan een rechtsgeldig beroep op het uitzendbeding. Bovendien heeft volgens werkneemster aan het beroep op het uitzendbeding geen verzoek van de inlener ten grondslag gelegen.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Uitzendbeding niet in strijd met opzegverbod
Werkneemster doet een beroep op een beschikking van het Hof Den Haag (zie AR 2020-0323) die volgens haar aldus moet worden uitgelegd dat, ook al zou haar arbeidsovereenkomst niet zijn beëindigd wegens haar arbeidsongeschiktheid, deze beëindiging desalniettemin onrechtmatig is omdat daaraan een ziekmelding voorafgegaan is. Het hof oordeelt echter dat die zaak wezenlijk verschilt van de onderhavige zaak. In de beschikking ging het om een uitzendbeding dat bepaalde dat in geval van ziekte van de uitzendkracht de terbeschikkingstelling werd geacht met onmiddellijke ingang te zijn beëindigd. Het hof oordeelde dat dat in strijd is met het opzegverbod en dus vernietigbaar. Een beding met een dergelijke inhoud is door partijen in deze zaak echter niet overeengekomen. Artikel 7:691 lid 2 BW houdt in dat een uitzendwerkgever en een uitzendkracht mogen afspreken dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt wanneer de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht op verzoek van de inlener eindigt, zoals in dit geval is gebeurd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een inlener om welke reden dan ook de inlening mag eindigen, dus ook tijdens ziekte. Het uitzendbeding zoals opgenomen in de uitzendovereenkomsten is daarom niet strijdig met het opzegverbod tijdens ziekte.
Terbeschikkingstelling op verzoek van inlener geëindigd
Het hof is verder van oordeel dat uit de diverse verklaringen en e-mails valt af te leiden dat de leidinggevende binnen het bedrijf van de inlener te kennen heeft gegeven dat hij de samenwerking met werkneemster niet langer wilde voortzetten. Uit deze verklaringen en e-mails volgt echter niet dat Teamleiders.nu, en niet de inlener, de beslissing heeft genomen om de terbeschikkingstelling van werkneemster daadwerkelijk te beëindigen. De leidinggevende (zelf ook via een uitzendovereenkomst met Teamleiders.nu werkzaam bij de inlener) was de aangewezen persoon om (namens de inlener) de beëindiging van de terbeschikkingstelling aan de orde te stellen. Het initiatief tot beëindiging lag dan ook bij de inlener. Al het voorgaande maakt dat het uitzendbeding niet vernietigbaar is, want het is niet in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte. De uitzendovereenkomst is op 12 mei 2021 rechtsgeldig geëindigd.