Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 5 juli 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:1327
Werkgeefster is er niet in geslaagd te bewijzen dat op bierviltjes vermelde bedragen niet de nettojaarsalarissen betreffen die werknemer als (amateur)voetballer zijn toegezegd.

Feiten

Vast staat dat werknemer als (amateur)voetballer voor de seizoenen 2012-2013 en 2013-2014 een arbeidsovereenkomst heeft gehad met werkgeefster. Werknemer stelt dat hij voor de beide seizoenen met werkgeefster een loon is overeengekomen dat hoger is dan de bedragen van respectievelijk € 625 en € 750 netto per maand die in de schriftelijke arbeidsovereenkomsten zijn vermeld, en beroept zich in dit verband op twee bierviltjes waarop (hogere) handgeschreven bedragen en (een) handtekening(en) staan. Volgens werknemer blijkt uit de bierviltjes dat hij voor de seizoenen 2012-2013 en 2013-2014 met werkgeefster jaarsalarissen is overeengekomen van respectievelijk € 14.500 en € 13.000, waarvan een deel “zwart” zou worden betaald en alleen het “witte” deel is vermeld in de schriftelijke arbeidsovereenkomsten. Werknemer heeft op basis van de bedragen op de bierviltjes onder meer achterstallig loon gevorderd. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer grotendeels toegewezen. Werkgeefster is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof heeft in zijn tussenarrest overwogen dat in hoger beroep niet langer in discussie is dat op de beide bierviltjes de handtekening van X, technisch directeur van de sportvereniging, voorkomt. Het hof heeft in zijn tussenarrest vervolgens geoordeeld dat op werknemer de bewijslast rust dat de op de bierviltjes vermelde bedragen de nettojaarsalarissen betreffen die hem door X zijn toegezegd over de beide voetbalseizoenen. Gelet op de door werknemer al in de procedure in eerste aanleg overgelegde schriftelijke verklaringen van Y (in het seizoen 2013/2014 teamgenoot van werknemer) en Z (destijds trainer bij de sportvereniging), en de WhatsApp-correspondentie die werknemer met X gevoerd heeft over het uitblijven van betalingen, heeft het hof voorshands geoordeeld dat werknemer in dat bewijs is geslaagd. Werkgeefster is in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren. Werkgeefster heeft vervolgens getuige A, getuige B, X en getuige 3 als getuigen voorgebracht.

Oordeel

Het hof heeft al het aanwezige bewijs zelfstandig en in onderlinge samenhang gewaardeerd, en is van oordeel dat werkgeefster niet is geslaagd in het haar opgedragen tegenbewijs. De verklaring van getuige 2 dat het bedrag dat als salaris werd overeengekomen altijd een brutobedrag was dat later in het contract werd omgezet in een nettobedrag, acht het hof niet overtuigend. Niet alleen werd in de schriftelijke arbeidsovereenkomst standaard een nettosalaris vermeld, wat niet erg voor de hand ligt als een brutobedrag is overeengekomen, maar werkgeefster heeft bovendien niet gemotiveerd en onderbouwd – bijvoorbeeld door het overleggen van een berekening of loonspecificatie – hoe een brutosalaris van € 14.500 in de situatie van werknemer heeft geleid tot een nettosalaris van € 625 per maand. Daar komt bij dat Y, destijds teamgenoot en vriend van werknemer, heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest bij het ondertekenen door werknemer van het contract voor het seizoen 2013-2014, waarbij X gezegd zou hebben dat werknemer maandelijks € 750 per bank zou ontvangen en de resterende € 4.000 in gedeelten contant. Deze verklaring bevestigt de stelling van werknemer dat hij met werkgeefster over het seizoen 2013-2014 een salaris is overeengekomen van € 13.000, zoals vermeld op het tweede bierviltje. Het hof acht geen redenen aanwezig om te twijfelen aan de verklaring van Y. De getuige Z heeft bevestigd dat er sprake is geweest van een gesprek over het salaris van werknemer waarbij ook Y aanwezig was, en dat dit was op een moment dat er veel mensen in en uit liepen bij de commissiekamer waarin dit gesprek plaatsvond. Het hof merkt hierbij op dat Y verklaart dat het op dat moment niet ging om de salarisonderhandelingen zelf, maar om het moment van het ondertekenen door werknemer van zijn contract. De verklaringen van de door werkgeefster voorgebrachte getuigen dat de salarisonderhandelingen altijd plaatsvonden achter gesloten deuren, sluiten niet uit dat bij het ondertekenen van het contract wel andere mensen aanwezig konden zijn. Wat betreft de door werknemer overgelegde WhatsApp-wisseling tussen hem en X en tussen hem en C merkt het hof nog het volgende op. Uit deze WhatsApp-wisselingen blijkt dat werknemer meermalen heeft gevraagd naar door hem nog te ontvangen betalingen. Deze appjes dateren van eind 2015 tot medio 2016. Vast staat dat werknemer in maart 2015 een eerdere gerechtelijke procedure is begonnen tegen werkgeefster waarin hij (uitsluitend) zijn achterstallige contractuele salaris over juni 2014 heeft gevorderd. Deze vordering is door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 24 april 2015 toegewezen. Dat de latere vragen van werknemer waar zijn achterstallige loon bleef betrekking hadden op het loon zoals dit was vermeld in zijn schriftelijke contract, acht het hof in dat licht niet aannemelijk. De appjes wijzen er veeleer op dat het gaat om betalingen buiten de schriftelijke arbeidsovereenkomst om.