Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Scholengroep Spinoza
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 14 juni 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:8181
Is een uitspraak van de Commissie van Beroep funderend onderwijs VO een bindend advies? Uitleg artikel 19 lid 5 Cao voor het Voortgezet Onderwijs.

Feiten

Spinoza is een scholengroep, bestaande uit twaalf middelbare scholen met elk een eigen identiteit. Werknemer is op 1 november 2007 bij Stichting Scholengroep Spinoza (hierna: Spinoza) in dienst getreden als docent op het Veurs Lyceum te Leidschendam. In 2008 heeft hij zijn eerstegraadsbevoegdheid gehaald. Bij indiensttreding is hij ingeschaald in schaal LB. Op het dienstverband is de Cao voor het Voortgezet Onderwijs (hierna: Cao VO) van toepassing. Tussen partijen ontstaat een discussie over de indeling in salarisschaal. Bij brief van 12 januari 2022 heeft werknemer een verzoek ingediend bij de rector van het Veurs Lyceum om in LD ingeschaald te worden met ingang van 1 augustus 2018. De rector van het Veurs Lyceum heeft dit verzoek bij besluit van 14 februari 2022 afgewezen. Daartegen heeft werknemer een bezwaarschrift ingediend bij het college van bestuur van Spinoza. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft werknemer beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep funderend onderwijs VO (hierna: de Commissie). De Commissie heeft op 18 juli 2022 uitspraak gedaan en het beroep gegrond verklaard. Na de uitspraak heeft een mailwisseling tussen partijen plaatsgevonden. Spinoza heeft daarin aangegeven zich niet in de uitspraak van de Commissie te kunnen vinden maar desondanks bereid te zijn om werknemer met ingang van 1 augustus 2022 in LD te plaatsen. Werknemer heeft daarop geantwoord daarmee niet akkoord te gaan en aanspraak te maken op plaatsing in LD met ingang van 1 augustus 2018. Op grond van artikel 19 lid 5 van de Cao VO verzoekt werknemer de kantonrechter om Spinoza onder meer te veroordelen om hem per 18 augustus 2018 te benoemen in de functie van docent LD onder toekenning van de bijbehorende salarisschaal en betaling van achterstallig salaris en verschuldigde pensioenpremies. Werknemer stelt dat de  uitspraak van de Commissie een bindend advies is en deze alleen aantastbaar is als wordt voldaan aan de eisen voor vernietiging zoals omschreven in artikel 7:904 BW. Aan die eisen is echter niet voldaan. Spinoza betwist dat de uitspraak van de Commissie bindend is.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft in het arrest Amghane (HR 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2085) bepaald dat de uitspraak van de Commissie voor de werknemer niet bindend is. Volgens de Hoge Raad kan van een bindend advies pas sprake zijn als partijen ondubbelzinnig zijn overeengekomen dat de uitspraak bindend is. In de literatuur is aangenomen dat de werkgever wel aan het advies gebonden was omdat in verschillende onderwijswetten als voorwaarde voor de bekostiging van het bijzonder onderwijs was bepaald dat het bevoegd gezag zich onderwierp aan een uitspraak van de Commissie, maar geheel onomstreden was die opvatting niet. Sinds de inwerkingtreding van de Wwz is er geen aparte regeling meer voor het bijzonder onderwijs en zijn de bepalingen over de Commissie in de diverse onderwijswetten komen te vervallen. De Commissie heeft sindsdien geen wettelijke basis meer. De kantonrechter is op grond hiervan van oordeel dat de wijze waarop artikel 19 lid 5 Cao VO is geredigeerd onvoldoende steun biedt voor de opvatting dat ondubbelzinnig is overeengekomen dat de uitspraak van de Commissie als een bindend advies moet worden aangemerkt. Vervolgens is de vraag aan de orde of Spinoza werknemer in 2014 heeft toegezegd dat hij bij pensionering van een collega in de LD-schaal zou worden geplaatst. Op grond van de gestelde feiten en omstandigheden komt de kantonrechter tot het oordeel dat onvoldoende is gebleken dat Spinoza in 2014 de ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan. De vorderingen, die op de gestelde toezegging zijn gegrond, worden afgewezen.