Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 oktober 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:6389
Feiten
In deze WAMCA-procedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 21 december 2022 de opt-out- en opt-inmogelijkheid (art. 1018f lid 1 en lid 5 Rv) opengesteld voor de Temper-werkers voor een termijn van drie maanden (zie ook AR 2023-0062). Na afloop van deze opt-out- en opt-infase heeft de rechtbank de resultaten daarvan aan partijen kenbaar gemaakt. Deze resultaten waren: opt-outverklaringen: 20.398 en opt-inverklaringen: 117. Vervolgens heeft de rechtbank partijen gelegenheid geboden om zich bij akte uit te laten over de opt-out- en opt-infase en de beoordeling als bedoeld in de laatste zin van artikel 1018f lid 1 Rv, dit laatste naar aanleiding van de aankondiging van Temper dat zij (mogelijk) een beroep op die bepaling zou gaan doen. Daarnaast mochten partijen zich uitlaten over de voortgang van de procedure. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt.
Oordeel
FNV en CNV betogen dat al op voorhand geen waarde kan worden gehecht aan de in de opt-out- en opt-infase afgelegde verklaringen, omdat Temper zich niet heeft gehouden aan de instructie van de rechtbank over de wijze van aankondiging van deze fase. Dit verweer faalt. De instructie van de rechtbank was gericht op neutrale informatievoorziening die in opdracht van de rechtbank verstuurd moest worden (wat ook in de aankondiging zelf was opgenomen). De instructie hield geen restricties in voor partijen om daarnaast eigen informatie te verspreiden. Dat stond hun dan ook vrij. Dat betekent ook dat de eigen informatie(verspreiding) door Temper geen grond vormt om aan de in de opt-out- en opt-infase uitgebrachte verklaringen geen enkele waarde toe te kennen. Daarmee komt de rechtbank toe aan het beroep van Temper op de bepaling in de laatste zin van artikel 1018f lid 1 Rv. Temper betoogt dat het aantal personen dat van de opt-outmogelijkheid gebruik heeft gemaakt uitzonderlijk hoog is, en wel zo hoog dat de procedure niet langer kan worden voortgezet, zoals bedoeld in die laatste zin. In deze zaak heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 21 december 2022 de opt-out- en opt-inmogelijkheid opengesteld, omdat de vorderingen voor een deel strekken ter bescherming van de belangen van de Temper-werkers. In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vorderingen van FNV en CNV voor een deel ook strekken tot bescherming van het meer overstijgende, ideële belang van een rechtvaardige arbeidsmarkt, waarop rechten van werkenden in het algemeen worden beschermd, en waarop geen sprake is van oneerlijke concurrentie. In navolging van partijen heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat het openstellen van de opt-out- en opt-inmogelijkheid voor de groep van ‘werkenden in het algemeen’ niet aangewezen of zinvol is. De procedure kent aldus meerdere, te onderscheiden belangen die worden gediend. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank het beroep van Temper op de bepaling in de laatste zin van artikel 1018f lid 1 Rv beoordelen. Zoals vermeld zijn 20.398 opt-outverklaringen uitgebracht. Deze resultaten zijn niet geschoond van voorkomende dubbele verklaringen. Op basis van die toelichting is waarschijnlijk dat het aantal unieke opt-outverklaringen circa een kwart lager ligt dan het totale aantal opt-outverklaringen. Als dit percentage wordt toegepast op de bij rechtbank uitgebrachte opt-outverklaringen (20.398) gaat het nog steeds om een relevant groot getal: 75% van 20.398 = 15.298 ten opzichte van het totaal van 61.292 (hier relevante) Temper-werkers. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank het aantal uitgebrachte opt-outverklaringen een ‘te groot’ aantal zoals bedoeld in artikel 1018f lid 1 laatste zin Rv. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het grote aantal opt-outverklaringen door de Temper-werkers aanleiding geeft voor beëindiging van de collectieve actie, maar alleen voor zover de ingestelde vorderingen strekken ter bescherming van het belang van de Temper-werkers. Het grote aantal uitgebrachte opt-outverklaringen is voor de rechtbank geen aanleiding om ook de collectieve actie te beëindigen, voor zover die strekt ter bescherming van het meer overstijgende, ideële belang van een rechtvaardige arbeidsmarkt, waarop rechten van werkenden in het algemeen worden beschermd, en waarop geen sprake is van oneerlijke concurrentie. Dit belang blijft immers nog steeds aanwezig en dat rechtvaardigt op zichzelf dat de procedure op dit punt wordt voortgezet. De volgende vraag is welk deel van de procedure kan worden voortgezet, en dus welke van de ingestelde vorderingen niet alleen strekken ter bescherming van het belang van de Temper-werkers. Dit geldt voor de hoofdvorderingen. Met deze vorderingen leggen FNV en CNV de rechtsvraag voor of de Temper-werkers als uitzendkracht of werknemer kwalificeren. Zoals overwogen in het tussenvonnis van 13 juli 2022, richten deze vorderingen zich (mede) tegen de door Temper gehanteerde werkwijze waarbij de via een platform gesloten overeenkomsten tussen Temper-werkers en opdrachtgevers als opdrachtovereenkomst worden aangeduid. FNV en CNV hebben hierover toegelicht: "Eisers komen hiermee op tegen schending van werknemersrechten, oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden, uitholling van de sociale zekerheid en het in brede zin tegengaan van onwenselijke ontwikkelingen op de arbeidsmarkt (…).” Die vorderingen strekken daarmee mede tot bescherming van het overstijgende belang van de werkenden in het algemeen, die geen partij zijn bij de via het platform gesloten overeenkomsten maar in de redenering van FNV en CNV wel door de werkwijze van Temper worden gedupeerd. Daar kan aan worden toegevoegd dat de kwalificatie van de gesloten overeenkomsten in dit geval uit de wet volgt en dwingendrechtelijk van aard is, en dus niet (volledig) ter vrije bepaling staat van de wel bij de rechtsverhouding betrokken partijen, waaronder de Temper-werkers. Dit geldt ook voor de gevraagde verklaringen voor recht dat Temper in strijd handelt met artikel 7a Waadi. De overige ingestelde vorderingen strekken alleen ter bescherming van het belang van de Temper-werkers. Omdat FNV en CNV slechts in een deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, gaat de procedure voor het overige (deel) verder. Omdat beide partijen elkaar dus nog niet inhoudelijk van antwoord hebben gediend, dienen zij daar nu (alsnog) de gelegenheid voor te krijgen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.