Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023
ECLI:EU:C:2023:188
Feiten
UL is een profvoetballer die naast de nationaliteit van een derde land ook de Belgische nationaliteit heeft. Hij is al vele jaren als profvoetballer actief in België. Hij speelde er een aantal jaren voor Royal Antwerp, een aldaar gevestigde profvoetbalclub, en vervolgens voor een andere profvoetbalclub. Op 13 februari 2020 heeft UL zich tot het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (hierna: “BAS”) gewend met onder meer het verzoek om de HGP‑regels die door de UEFA en de KBVB zijn ingevoerd, van rechtswege nietig te verklaren op grond dat zij inbreuk maken op de artikelen 45 en 101 VWEU, en om hem een vergoeding toe te kennen voor de schade die hij als gevolg van die regels heeft geleden. De HGP-regel staat voor “home-grown players” (lokaal opgeleide spelers; hierna: “HGP’s”). HGP'ers worden omschreven als spelers die, ongeacht hun nationaliteit, in de leeftijd tussen 15 en 21 jaar gedurende minstens drie jaar zijn opgeleid door hun club of door een andere club die bij dezelfde nationale voetbalbond is aangesloten (hierna: “HGP-regels”). In wezen vraagt de verwijzende rechter zich ten eerste af of de HGP-regels die door de UEFA en de KBVB zijn vastgesteld, kunnen worden aangemerkt als een “overeenkomst tussen ondernemingen”, een “besluit van een ondernemersvereniging” of “onderling afgestemde feitelijke gedragingen” in de zin van artikel 101 VWEU. Ten tweede vraagt hij zich af of die regels in overeenstemming zijn met het verbod op afspraken dat door dat artikel wordt opgelegd en met het vrije verkeer van werknemers dat wordt gegarandeerd door artikel 45 VWEU, en of zij eventueel gerechtvaardigd, passend, noodzakelijk en evenredig zijn.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Home-grown players-regels van UEFA staan op gespannen voet met artikel 101 VWEU
In casu moet met betrekking tot de inhoud van de regels van de UEFA en de KBVB waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt, in herinnering worden gebracht dat deze regels aan de profvoetbalclubs die deelnemen aan clubcompetities die door die entiteiten worden georganiseerd, de verplichting opleggen om op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers in te schrijven dat voldoet aan de vereisten om te worden beschouwd als HGP’s, zoals door die regels gedefinieerd. Doen zij dat niet, dan krijgen zij een sanctie opgelegd. Aldus beperken die regels uit hun aard de mogelijkheid van die clubs om op dat blad spelers te zetten die niet aan dergelijke vereisten voldoen. Voorts blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter dat de mogelijkheid voor de clubs om vrij hun ploegen samen te stellen in twee verschillende opzichten wordt beperkt. De regels van de UEFA en de KBVB verplichten die clubs namelijk om op het wedstrijdblad een bepaald minimum aan spelers in te schrijven die weliswaar worden aangemerkt als HGP’s, maar in werkelijkheid niet noodzakelijk zijn opgeleid door de club waarvoor zij spelen, maar door een club die bij dezelfde nationale bond is aangesloten, welke club dat ook is en los van waar zij binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van die bond gelegen is. In zoverre speelt de beperking die de regels in kwestie inhouden in werkelijkheid op het niveau van de betrokken bond, dat wil zeggen op nationaal niveau. Parallel daaraan verplichten de regels van de UEFA die clubs ook om ervoor te zorgen dat een minimumaantal van de HGP’s die zij op het wedstrijdblad moeten inschrijven, daadwerkelijk is opgeleid door de club waarvoor zij werken. De beperking die zij meebrengen, speelt bijgevolg op het niveau van de betrokken club.
Het staat aan de verwijzende rechter om overeenkomstig de rechtspraak die is aangehaald in de punten 70 tot en met 73, 93 en 94 van het onderhavige arrest de economische en juridische context in aanmerking te nemen waarin de regels aan de orde in het hoofdgeding zijn vastgesteld alsook de specifieke kenmerken van het voetbal, en om te beoordelen of met de vaststelling van die regels al dan niet werd beoogd de toegang van de clubs tot die hulpbronnen te beperken, de markten af te schermen of de barrières ertussen te herstellen volgens nationale grenzen dan wel de interpenetratie van de nationale markten moeilijker te maken door een vorm van “nationale voorkeur” in te voeren. Indien de verwijzende rechter na zijn onderzoek tot de bevinding komt dat de regels aan de orde in het hoofdgeding dermate schadelijk zijn dat het gerechtvaardigd is om te oordelen dat zij ertoe strekken de mededinging te beperken en dat zij bijgevolg onder het verbod van artikel 101 lid 1 VWEU vallen, zal hij de concrete of potentiële gevolgen ervan niet hoeven te onderzoeken.
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de vragen van de verwijzende rechter, voor zover zij betrekking hebben op artikel 101 VWEU, worden geantwoord dat:
(a) artikel 101 lid 1 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan regels die zijn vastgesteld door een entiteit die verantwoordelijk is voor de organisatie van voetbalcompetities op Europees niveau en worden uitgevoerd door die entiteit zelf en de erbij aangesloten nationale voetbalbonden, en die aan elke club die aan die competities deelneemt de verplichting opleggen om op haar spelerslijst en op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers in te schrijven dat ofwel door die club zelf, ofwel binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van de nationale bond waarbij die club is aangesloten, is opgeleid, alsook aan regels die zijn vastgesteld door een bond die verantwoordelijk is voor de organisatie van voetbalcompetities op nationaal niveau, op grond waarvan elke club die aan die competities deelneemt op haar spelerslijst en op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers moet inschrijven dat is opgeleid binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van die bond, indien wordt aangetoond dat die besluiten van ondernemersverenigingen de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, en dat zij hetzij ertoe strekken, hetzij ten gevolge hebben dat de mededinging tussen de profvoetbalclubs wordt beperkt, tenzij, in het tweede van deze gevallen, uit afdoende argumenten en bewijzen blijkt dat zij worden gerechtvaardigd door het nastreven van een of meer legitieme doelstellingen en dat zij daar strikt noodzakelijk toe zijn;
(b) artikel 101 lid 3 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat dergelijke besluiten van ondernemersverenigingen, wanneer zij in strijd blijken te zijn met lid 1 van dit artikel, slechts kunnen worden vrijgesteld van de toepassing van laatstbedoeld lid indien met afdoende argumenten en bewijzen wordt aangetoond dat aan alle daartoe gestelde voorwaarden is voldaan.
Home-grown players-regels staan op gespannen voet met artikel 45 VWEU
In casu kunnen regels als die van de KBVB, zoals de verwijzende rechter uiteenzet, blijkens de bewoordingen zelf en de opzet ervan op het eerste gezicht profvoetballers benadelen die een economische activiteit willen uitoefenen op het grondgebied van een lidstaat, te weten België, die niet hun lidstaat van herkomst is, en die niet voldoet aan de voorwaarden die door die regels worden gesteld. De regels in kwestie zijn weliswaar niet rechtstreeks gebaseerd op een criterium van nationaliteit of woonplaats, maar berusten niettemin duidelijk op een “nationale” band, en wel in twee opzichten, zoals de Commissie heeft uiteengezet. Ten eerste omschrijven zij HGP’s als spelers die zijn opgeleid binnen een “Belgische” club. Ten tweede leggen zij de profvoetbalclubs die willen deelnemen aan de clubcompetities die door de KBVB worden georganiseerd, de verplichting op om op hun spelerslijst en het wedstrijdblad een minimumaantal spelers in te schrijven dat voldoet aan de voorwaarden om als HGP te worden aangemerkt. Er lijkt dus sprake van indirect onderscheid. Er kan evenwel sprake zijn van een objectieve rechtvaardiging van dit indirect onderscheid. Dienaangaande zal de verwijzende rechter er onder meer rekening mee moeten houden dat de regels in kwestie, doordat zij alle jonge spelers die door enigerlei bij de betrokken nationale voetbalbond aangesloten club zijn opgeleid, op één lijn stellen, voor sommige van die clubs, met name die welke over aanzienlijke financiële middelen beschikken, mogelijkerwijs geen reële en belangrijke stimulansen vormen om jonge spelers aan te trekken en zelf op te leiden. Integendeel, een dergelijk beleid van aantrekken en opleiden, waarvan het Hof al herhaaldelijk heeft benadrukt dat het voor de betrokken club hoge kosten en langdurige inspanningen met zich meebrengt terwijl de resultaten onzeker zijn (zie in die zin HvJ EU 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C-325/08, ECLI:U:C:2010:143, punt 42), wordt gelijkgesteld met het aantrekken van jonge spelers die al zijn opgeleid door een andere, eveneens bij die bond aangesloten club, ongeacht waar deze in het territoriale bevoegdheidsgebied van de betrokken bond is gevestigd. Het zijn echter juist investeringen in de opleiding van jonge spelers die op lokaal niveau plaatsvinden, vooral wanneer zij worden gedaan door kleine clubs, eventueel in samenwerking met andere clubs uit dezelfde regio en mogelijkerwijs over de grenzen heen, die eraan bijdragen dat de sport haar sociale en educatieve functie kan vervullen (zie in die zin arrest Olympique Lyonnais, punt 44).
Conclusie
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de vragen van de verwijzende rechter, voor zover die betrekking hebben op artikel 45 VWEU, worden geantwoord dat dit artikel aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan regels die zijn vastgesteld door een bond die verantwoordelijk is voor de organisatie van voetbalcompetities op nationaal niveau, op grond waarvan elke club die aan die competities deelneemt op haar spelerslijst en op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers moet inschrijven dat is opgeleid binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van die bond, tenzij wordt aangetoond dat die regels geschikt zijn om de verwezenlijking van het doel dat erin bestaat het aantrekken en opleiden van jonge profvoetballers op lokaal niveau aan te moedigen, op coherente en systematische wijze te waarborgen en dat zij niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken.