Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Visser Smit Hanab B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 29 maart 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:2932
Werknemer is op staande voet ontslagen, omdat hij gedurende zijn ziekte chauffeurswerkzaamheden heeft uitgevoerd voor een ander bedrijf.

Feiten

Werknemer is vanaf 6 november 1995 bij (de rechtsvoorganger van) Visser Smit Hanab B.V. (hierna: VSH) in dienst, laatstelijk in de functie van vakman kabels voor 40 uur per week met een salaris van € 3.244,75 bruto per maand, exclusief emolumenten. Werknemer heeft zich op 15 november 2021 ziek gemeld. Medio december 2021 heeft VSH een melding gekregen dat werknemer elders aan het werk zou zijn tijdens ziekte. VSH heeft dit met werknemer besproken, maar hij ontkende dit. VSH heeft deze melding vervolgens als ‘afgedaan’ beschouwd. VSH heeft in februari 2023 anonieme meldingen ontvangen over werknemer. De meldingen komen erop neer dat hij regelmatig met een vrachtwagen rondrijdt en dat hij met eigen materieel buitenshuis betaalde werkzaamheden zou verrichten. VHS heeft dit met werknemer besproken. Werknemer heeft toen verklaard dat deze meldingen niet kloppen. VHS heeft werknemer gewaarschuwd en hem gewezen op het verzuimreglement. Eind september 2023 heeft VSH wederom soortgelijke meldingen ontvangen. VSH heeft vervolgens BN Bedrijfsrecherche Nederland ingeschakeld om de meldingen te controleren. Nadat VSH het conceptrapport van de bedrijfsrecherche had ontvangen, waarin stond dat werknemer meermaals werkzaamheden voor derden heeft uitgevoerd, is hij door VSH uitgenodigd om op 2 november 2023 zijn kant van het verhaal te vertellen. Werknemer heeft tijdens het gesprek verklaard dat hij de afgelopen maanden meerdere malen werkzaamheden heeft verricht voor derden. VSH heeft werknemer vervolgens op staande voet ontslagen. Werknemer verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet, achterstallig salaris en een schadevergoeding van € 32.729,58 bruto. Partijen hebben over en weer een verzoekschrift ingediend. 

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet terecht is. Werknemer heeft in zijn verklaring van 2 november 2023 erkend dat hij op meerdere dagen in oktober 2023 chauffeurswerkzaamheden heeft uitgevoerd voor derden. Dat de onderzoekers van de bedrijfsrecherche, die deze verklaring hebben afgenomen, hem geen cautie hebben gegeven, maakt niet dat niet van deze verklaring uitgegaan kan worden. Er is geen sprake van een strafrechtelijk onderzoek, zodat het geven van de cautie geen vereiste is. Werknemer heeft daarnaast ook niet de verklaring ingetrokken of gesteld dat deze niet (geheel) juist is. Hij heeft tijdens de zitting erkend dat hij werkzaamheden voor derden heeft verricht. Werknemer heeft ook zijn re-integratieverplichtingen geschonden. De kantonrechter kan werknemer niet volgen in zijn standpunt dat VSH onvoldoende zijn persoonlijke omstandigheden heeft meegewogen. Werknemer stelt dat VSH geen reëel belang bij handhaving van het ontslag op staande voet heeft, omdat het evident is dat terugkeer van werknemer in zijn eigen of aangepast werk binnen VSH niet meer aan de orde kon zijn, beëindiging van het dienstverband zonder meer zou gaan plaatsvinden wegens het bereiken van 104 weken arbeidsongeschiktheid en de transitievergoeding te betalen door VSH door het UWV zou kunnen worden gecompenseerd. De kantonrechter volgt werknemer op dit punt niet omdat VSH wel degelijk belang had bij een ontslag op staande voet ten gevolge van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Daardoor maakt werknemer ook geen aanspraak op de transitievergoeding. Het verzoek van VSH om de gefixeerde schadevergoeding toe te kennen wordt gehonoreerd. Het verzoek om de onderzoekskosten te verhalen op werknemer wordt afgewezen om reden dat de gevolgen van het ontslag op staande voet al groot zijn voor werknemer.