Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/De Stichting
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 juli 2024
ECLI:NL:RBAMS:2024:4665
Vordering wedertewerkstelling bestuurder afgewezen. Vertrouwensbreuk tussen bestuurder en raad van toezicht. Vordering uitstellen ontslagvergadering tot na mondelinge behandeling OK toegewezen.

Feiten

De stichting is opgericht op 5 juli 2011 en heeft tot doel de ondersteuning en begeleiding van kinderen en volwassenen met een vorm van autisme, en hun naasten. Werkneemster is sinds 1 mei 2012 enig bestuurder van de stichting. Zij heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In 2023 heeft PWC op instigatie van de raad van toezicht (RvT) een onderzoek ingesteld onder meer naar de wijze waarop de stichting wordt geleid. Na onder meer een kwestie met de cliëntenraad van de stichting heeft de RvT werkneemster op 15 juli 2024 geschorst als bestuurder. Op 25 juli 2024 is een vergadering gepland waarbij het voorgenomen ontslag van werkneemster is geagendeerd. Werkneemster is een enquêteprocedure gestart bij de Ondernemingskamer (OK) van het gerechtshof Amsterdam, onder meer naar de gang van zaken binnen de stichting. Werkneemster vordert in dit kort geding, samengevat, veroordeling van de stichting tot intrekking althans schorsing van het schorsingsbesluit, wedertewerkstelling, alsmede de voorgenomen vergadering van 25 juli 2024 af te gelasten of op te schorten totdat de bodemrechter heeft beslist in een bodemprocedure of de OK in de enquêteprocedure.

Oordeel

Het spoedeisend belang is hier evident. In de aanloop naar deze procedure, die op een heel laat moment is aangespannen, is een zeer grote hoeveelheid stukken overgelegd. Uit die stukken volgt dat vanaf vorig jaar bij de RvT twijfels zijn gerezen over het functioneren van werkneemster. Halverwege 2023 is er een PWC-rapportage gereedgekomen, waaruit volgde dat werkneemster moest gaan werken aan haar leiderschapskwaliteiten en er mogelijk een tweede bestuurder moest komen. Hieraan heeft zij niet willen meewerken, aldus de stichting. De druppel die de emmer deed overlopen was de constatering van de RvT dat werkneemster bezig zou zijn met het doen vertrekken van de RvT. Werkneemster heeft hier tegenover gesteld dat zij in feite de stichting heeft opgericht, tot een groot succes heeft gemaakt, en nauwelijks kritiek op haar functioneren heeft gekregen. Verder stelt zij dat de RvT samenspande met de cliëntenraad om haar weg te krijgen. Duidelijk is dat de situatie binnen de stichting is geëscaleerd. Aan wie dat precies te wijten is en of enige redelijke grond voor schorsing en ontslag ontbreekt, kan in dit kort geding onvoldoende worden beoordeeld. Wel is in ieder geval sprake van een vertrouwensbreuk tussen de RvT en werkneemster en is er veel onrust binnen de stichting. Het is om die redenen niet verstandig dat werkneemster zo snel als mogelijk weer wordt toegelaten tot het verrichten van haar werkzaamheden. De vordering tot wedertewerkstelling wordt aldus afgewezen. De vraag die dan vervolgens moet worden beantwoord is of de ontslagvergadering van deze middag 16.00 uur moet worden afgelast of aangehouden totdat in een bodemprocedure door een rechter of door de OK in de enquêteprocedure is beslist. Gelet op de complexiteit van deze zaak en het nodige uitzoekwerk dat nog moet worden verricht, zal bij wijze van ordemaatregel worden beslist dat de ontslagvergadering wordt aangehouden tot na de mondelinge behandeling bij de OK en in afwachting van de door de OK te nemen beslissingen.