Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 augustus 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:8929
Feiten
Van 1 januari 2022 tot 1 augustus 2023 is werknemer in dienst geweest bij RTB Cargo Netherlands B.V. (hierna: RTB) als combimachinist. Werknemer is begonnen in de functie combimachinist nationaal. Ten aanzien van een tweetal opleidingen, te weten de opleiding machinist/rangeerder en de opleidingen Duitse taal en Duitse regelgevingen, zijn partijen een studiekostenbeding overeengekomen op basis waarvan werknemer de kosten moet terugbetalen als zijn dienstverband binnen 36 maanden na indiensttreding voor wat betreft de eerste opleiding en 36 maanden na het behalen van de opleiding voor wat betreft de tweede opleiding eindigt. Na het afronden van de tweede opleiding is werknemer doorgestroomd in de functie combimachinist internationaal. Per 1 augustus 2023 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst opgezegd. RTB heeft werknemer om die reden een factuur gestuurd voor de studiekosten. Werknemer heeft deze factuur niet betaald. Reden waarom RTB onderhavige procedure is gestart. In deze procedure speelt de vraag of de cursus Duitse taal onder de noemer ‘verplichte scholing’ als bedoeld in artikel 7:611a lid 1 BW valt (over de andere opleiding zijn partijen het eens dat deze niet onder ‘verplichte scholing’ valt); of RTB met het sluiten van de studiekostenovereenkomsten heeft voldaan aan het kenbaarheidsvereiste uit het arrest Muller/Van Opzeeland en of het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat RTB zich beroept op de (terug)betalingsverplichting van werknemer.
Oordeel
De kantonrechter beantwoord bovenstaande vragen als volgt.
Cursus Duitse taal geen verplichte scholing
De cursus Duitse taal is geen verplichte scholing in de zin van artikel 7:611a lid 1 BW. Werknemer had de opleiding namelijk niet nodig voor zijn huidige functie (combimachinist nationaal), maar heeft deze – vrijwillig – gevolgd voor een eventuele doorgroei naar een andere functie (combimachinist internationaal). Dat hij die andere functie uiteindelijk heeft gekregen en dat zijn ‘employability’ is vergroot, is niet relevant. Scholing is pas verplicht als die nodig is om de werkzaamheden die horen bij de functie die de werknemer op dat moment bekleedt (goed) uit te oefenen en daarvan is hier geen sprake.
RTB heeft voldaan aan kenbaarheidsvereiste
Werknemer kan geen beroep doen op zijn stelling dat RTB hem niet goed heeft voorgelicht over de consequenties van het sluiten van de studieovereenkomst vanwege de financiële consequenties. RTB was namelijk de derde werkgever met wie werknemer een studieovereenkomst sloot. Verder heeft RTB werknemer de informatie gegeven die hij nodig had om een weloverwogen besluit te maken. Daar komt bij dat een werkgever bij het aangaan van een studieovereenkomst niet behoeft te beoordelen of de werknemer in staat is om aan zijn terugbetalingsverplichting te voldoen als de arbeidsovereenkomst kort daarna eindigt. Als de werknemer in dienst blijft, is van een terugbetalingsverplichting geen sprake en dus ook niet van een financieel risico voor de werknemer.
Beroep op terugbetaling is niet onaanvaardbaar
Tot slot oordeelt de kantonrechter dat het beroep van RTB op de terugbetalingsverplichting in de gegeven omstandigheden niet onaanvaardbaar is. Werknemer doet een beroep op het gegeven dat de werkzaamheden hem zwaarder vielen dan hij had verwacht en mocht verwachten. Werknemer heeft echter niet onderbouwd dat sprake is van structurele overbelasting, dat hij dit bij RTB heeft aangekaart en dat RTB vervolgens heeft geweigerd maatregelen te treffen. Het staat niet vast dat werknemer geen andere keuze had dan zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat werknemer het door RTB gevorderde bedrag aan studiekosten moet betalen.