Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 17 juni 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:9677
Feiten
Op 15 augustus 2016 is werknemer in dienst getreden bij werkgeefster als uitvoerder. Laatstelijk bedroeg het salaris van werknemer € 4.750 per vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. In de arbeidsovereenkomst van werknemer is opgenomen dat de arbeidsduur 40 uur per week bedraagt en onder het artikel “overwerk” is het woord ”GEEN” opgenomen. Op enig moment is de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd. In dat kader heeft werkgeefster werknemer een eindafrekening gezonden, waarbij zij werknemer 40,59 ATV-uren heeft uitbetaald en zij een bedrag van € 417,76 aan vakantietoeslag heeft ingehouden. In onderhavige kortgedingprocedure vordert werknemer veroordeling van werkgeefster tot betaling van 55,76 vakantie-uren, 2,37 ATV-uren, € 526 en € 417,76 aan onterecht ingehouden loon, € 2.622 aan vakantiegeld (juni-november 2022), en € 36.334,36 aan achterstallig loon voor overuren, alles vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Volgens werknemer heeft hij in de jaren 2018 tot en met 2022 1.213,14 overuren gemaakt, waarvan partijen zouden hebben afgesproken dat werknemer deze in tijd krijgt gecompenseerd. Ook zou werkgeefster 80 van deze uren ten onrechte van het verlofsaldo hebben afgetrokken. Nu het dienstverband is geëindigd, vordert werknemer uitbetaling van de resterende verlofuren en overuren. Werknemer baseert zijn vordering op de cao Bouw & Infra. Volgens werkgeefster was overwerk, zoals in de arbeidsovereenkomst opgenomen, niet aan de orde en was die enkele keer dat er langer werd overgewerkt inbegrepen in het salaris van werknemer.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Alhoewel werkgeefster aanvankelijk heeft betoogd dat van overwerk geen sprake is, heeft zij ter zitting erkend opdracht te hebben gegeven voor het werken van extra uren. Daarmee komt de kantonrechter tot de voorlopige conclusie dat werknemer in opdracht van werkgeefster overwerk heeft verricht. De volgende vraag die de kantonrechter dient te beantwoorden is of het overwerk in het salaris van werknemer is verdisconteerd. Allereerst stelt de kantonrechter vast dat vooralsnog onzeker is of de cao Bouw & Infra van toepassing is op de arbeidsverhouding. Ook stelt de kantonrechter vast dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat er individuele afspraken zijn gemaakt over het wel of juist niet vergoeden van overuren, terwijl er ook geen wettelijke bepaling bestaat die in de compensatie van overuren voorziet. Wel is werkgeefster naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter verplicht de gewerkte overuren te vergoeden op grond van goed werkgeverschap dan wel de redelijkheid en billijkheid (HR 6 maart 1998, NJ 1998/527). Daarbij acht de kantonrechter van belang dat (i) werkgeefster het overwerk aan werknemer heeft opgedragen, (ii) werknemer gedurende meerdere jaren structureel en substantieel overwerk heeft verricht, (iii) werkgeefster financieel voordeel heeft gehad van deze overuren, (iv) werknemer heeft besproken dat hij betaald wilde krijgen voor het overwerk, (v) werkgeefster in strijd met artikel 7:655 lid 1 sub i en leden 3 en 10 BW heeft nagelaten werknemer schriftelijk te informeren over overwerk en (vi) werkgeefster niet voldoende heeft onderbouwd dat het overwerk geacht werd inbegrepen te zijn in het overeengekomen maandloon. De door werknemer gevorderde overuren worden toegewezen, met een gematigde wettelijke verhoging van 10%. Daarmee moeten ook de 55,76 opgebouwde en niet genoten vakantie-uren worden uitbetaald. De vordering tot betaling van vakantiegeld, ATV-uren en achterstallig loon heeft werknemer, door een gemotiveerde betwisting van werkgeefster, onvoldoende onderbouwd.