Naar boven ↑

Rechtspraak

De toekenning van een toelage in het personeelsreglement van de PI Middelburg heeft als doel het voorkomen van benadeling in de zin van artikel 21 WOR. Indien de toelage wordt uitgelegd als een forfaitaire toeslag zal dit mogelijk leiden tot bevoordeling, waarvoor geen rechtvaardiging bestaat.

Feiten 

Bij de Penitentiaire Inrichting Middelburg (hierna: PI Middelburg) zijn ongeveer 220 personen werkzaam. Voor de  PI Middelburg is een ondernemingsraad (hierna: OR) ingesteld, die bestaat uit negen personen. Artikel 17.2.1 van het personeelsreglement regelt dat als iemand is vrijgesteld voor OR-werkzaamheden en daardoor geen of minder onregelmatige diensten draait, hij recht heeft op de periodieke medezeggenschaps- en vakbondsvrijgesteldentoelage (hierna: MZ/VB-toelage). De toelage is gelijk aan de gemiddelde toelage onregelmatige dienst (hierna: TOD) per maand over het referentiejaar, vermenigvuldigd met de vrijstellingsfactor. Volgens PI Middelburg is de achtergrond van deze bepaling dat OR-leden geen terugval in inkomen behoren te hebben, wanneer zij door hun werkzaamheden voor de OR minder onregelmatige diensten kunnen draaien. In deze zaak is aan de orde of de wijze waarop PI  Middelburg deze regeling toepast in overeenstemming is met de tekst en het doel daarvan in verband met artikel 21 WOR. De OR stelt dat PI Middelburg een onjuiste uitleg geeft aan deze bepaling, door het salaris verhoogd met de TOD te vergelijken met het salaris verhoogd met de TOD voorafgaand aan de toetreding van een werknemer tot een medezeggenschapsorgaan.  

Oordeel 

De kantonrechter oordeelt als volgt. In de eerste plaats overweegt de kantonrechter met betrekking tot de ontvankelijkheid dat de OR kan worden ontvangen in zijn verzoek. De kern van hetgeen de OR en PI Middelburg verdeeld houdt, komt neer op de uitleg van de eerste zin van artikel 17.2.1 van het personeelsreglement. Op grond van artikel 21 WOR moet de ondernemer ervoor zorgen dat een (potentieel) OR-lid geen nadeel ondervindt van zijn (beoogd) OR-werk. Dit is uitgewerkt in artikel 17.2.1 van het personeelsreglement. Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat een werknemer die onregelmatige diensten werkt en daarvoor een toelage op zijn loon krijgt (TOD), door zijn vrijstelling voor het OR-werk minder onregelmatige diensten kan werken en daardoor nadeel ondervindt wegens mislopen van TOD. Dit oorzakelijk verband volgt nadrukkelijk uit de tekst. Er moet een oorzakelijk verband zijn tussen de vrijstelling voor het OR-werk en het niet in dezelfde mate draaien van onregelmatige diensten. In de gevallen waarin daarvan wel sprake is, garandeert de ondernemer dat er geen terugval in inkomen zal zijn. De aldus gegeven garantie duidt op compensatie en niet op een forfaitaire toeslag. Een forfaitaire toeslag zou inhouden dat zodra een OR-lid in het referentiejaar een TOD ontving, hij enkel door de OR-vrijstelling recht krijgt op de toelage. Deze uitleg doet geen recht aan het doel van de regeling die is gebaseerd op artikel 21 WOR. Het doel is voorkomen van benadeling, terwijl een forfaitaire toeslag mogelijk zal leiden tot bevoordeling. Daarvoor is geen rechtvaardiging. PI Middelburg moet voor de bepaling van een recht op de MZ/VB-toelage dus eerst vaststellen dat een OR-lid in het referentiejaar een TOD ontving en dan dat door de OR-vrijstelling minder onregelmatige diensten zijn gedraaid. Daarvan uitgaande is het juist dat PI Middelburg het recht op de MZ/VB-toelage niet bij aanvang van het OR-lidmaatschap vaststelt, maar op een later moment gedurende of aan het eind van het eerste lidmaatschapsjaar. Dit leidt ertoe dat een OR-lid dat geen TOD ontving in het referentiejaar, geen recht heeft op de MZ/VB-toelage. PI Middelburg kan voor de vaststelling of een OR-lid recht heeft op een MZ/VB-toelage niet uitgaan van het jaarinkomen. Als PI Middelburg, zoals de OR stelt, voor de bepaling van het recht op een MZ/VB-toelage het inkomen van het referentiejaar inclusief TOD vergelijkt met het inkomen gedurende het OR-lidmaatschapsjaar inclusief TOD, hanteert zij niet de juiste systematiek. Artikel 17.2.1 van het personeelsreglement is duidelijk. Het gaat erom dat wordt vastgesteld dat in het referentiejaar meer onregelmatige diensten zijn gedraaid dan in het eerste OR-jaar. Op basis daarvan wordt dan de omvang van de MZ/VB-toelage berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 17.2.1 van het personeelsreglement. De slotsom is dat het verzoek van de OR kan worden toegewezen, in die zin dat zij de juiste systematiek voor het bepalen van de MZ/VB moet volgen, zoals die is weergegeven door de kantonrechter.