Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12 maart 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:1007
Feiten
Werknemer is op 3 juni 2024 voor een jaar in dienst getreden bij de gemeente. In november 2024 vraagt hij zijn leidinggevende of zijn contract vervroegd kan worden omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd, omdat hij een woning heeft gekregen en meer zekerheid wil. De leidinggevende geeft aan dat dit niet mogelijk is vanwege onzekerheid over de organisatiestructuur, maar dat hij wel een intentieverklaring kan krijgen. Later blijkt uit een e-mail dat verlenging waarschijnlijk is, maar een vast contract niet gegarandeerd kan worden.
Werknemer bespreekt dit vervolgens met een hogere leidinggevende, die op 24 december 2024 aangeeft dat een vast contract niet mogelijk is omdat de hogere leiding dit heeft verboden. In januari 2025 stelt werknemer dat zijn contract op basis van artikel 2b Wet flexibel werken (Wfw) automatisch is omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd. De gemeente wijst dit verzoek in februari 2025 af, met als reden dat vanwege bezuinigingen terughoudend wordt omgegaan met vaste contracten.
Primair verzoekt werknemer een verklaring voor recht dat zijn arbeidsovereenkomst per 1 februari 2025 van rechtswege is overgegaan naar een contract voor onbepaalde tijd op basis van artikel 2b Wfw. Subsidiair stelt hij dat de arbeidsovereenkomst is omgezet naar onbepaalde tijd vanwege afwijkende afspraken op 8 mei 2024 ten opzichte van de oorspronkelijke overeenkomst.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer kan geen beroep doen op artikel 2b Wfw, zodat zijn arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd per 1 februari 2025. Artikel 2b Wfw bepaalt dat een werknemer met ten minste 26 weken anciënniteit een verzoek kan indienen voor voorspelbaardere en zekerdere arbeidsvoorwaarden. Als de werkgever niet binnen een maand gemotiveerd reageert, wordt het verzoek automatisch ingewilligd. Werknemer stelt dat hij op 19 november 2024 een dergelijk verzoek heeft ingediend en dat hij op 9 december 2024 expliciet heeft gevraagd om omzetting van zijn contract per 1 februari 2025. De gemeente reageert op 4 februari 2025 en wijst het verzoek af. Volgens werknemer is dit te laat, waardoor zijn contract automatisch voor onbepaalde tijd zou zijn geworden. Artikel 2b Wfw is bedoeld voor werknemers met 'atypische' vormen van werk, zoals oproepkrachten en platformwerkers. Werknemer heeft een 'voorspelbaar contract voor 36 uur per week', dat niet onder deze regeling valt. Hij kan zich daarom niet beroepen op artikel 2b Wfw, en de gemeente heeft zijn verzoek terecht afgewezen.
Subsidiair voert werknemer aan dat de e-mail van 8 mei 2024 een toezegging bevat dat zijn contract na een jaar wordt omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd. De kantonrechter oordeelt echter dat deze e-mail geen bindende afspraak bevat over een vast contract. De passage waarin wordt gesproken over een "verbintenis van minimaal 3 jaar na het afronden van opleidingen" betreft enkel een studiekostenregeling. Dit betekent dat als werknemer binnen drie jaar na afronding van zijn opleidingen vertrekt, hij de kosten moet terugbetalen. Er is dus geen garantie op een vast dienstverband gegeven.
Verder vreest werknemer dat hij door het geschil benadeeld zal worden door de gemeente en verzoekt hij de rechter om vast te leggen dat hij niet mag worden geschaad in zijn arbeidspositie. De kantonrechter wijst ook dit verzoek af. Het benadelingsverbod van artikel 2b lid 6 Wfw beschermt werknemers die gebruikmaken van hun rechten onder artikel 2b Wfw. Omdat werknemer geen rechten aan artikel 2b Wfw kan ontlenen, is dit beschermingsartikel niet op hem van toepassing.
De arbeidsovereenkomst van werknemer is dus niet automatisch omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd, noch op basis van artikel 2b Wfw, noch op grond van de e-mail van 8 mei 2024. Ook zijn verzoek om bescherming tegen benadeling wordt niet toegewezen.