Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Laww Interim B.V.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 3 oktober 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:7302

werkneemster/Laww Interim B.V.

Projectdienstverband van werkneemster niet van rechtswege geëindigd, onterechte beëindiging door Laww Interim. Ontbindingsverzoek wegens h-grond toegewezen onder toekenning van een billijke vergoeding van € 15.000 bruto.

Feiten

Werkneemster is op 11 januari 2017 in dienst getreden bij Laww Interim in de functie van secretaresse en voor de duur van een project bij het UWV. Werkneemster heeft zich op of omstreeks 20 april 2017 ziek gemeld bij het UWV. Op 25 april 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster en medewerkers van Laww Interim. Werkneemster heeft zich tijdens dit gesprek ziek gemeld. In een e-mail van 2 mei 2017 heeft Laww Interim aan werkneemster laten weten dat het projectdienstverband van werkneemster met Laww Interim per 25 april 2017 is geëindigd, omdat het UWV de opdracht per die datum heeft beëindigd. Bij brief van 18 mei 2017 heeft de gemachtigde van werkneemster gesteld dat de arbeidsovereenkomst niet beëindigd is en stukken opgevraagd waaruit blijkt dat het project Secretaresse is beëindigd. Laww Interim heeft bij e-mail van 1 juni 2017 aan de gemachtigde van werkneemster een e-mail doorgestuurd waarin onder meer staat dat de opdracht in overleg tussen het UWV en werkneemster per 25 april 2017 is beëindigd. Werkneemster verzoekt de kantonrechter onder meer voor recht te verklaren dat niet vaststaat dat het project is beëindigd, althans niet op 25 april 2017, zodat de arbeidsovereenkomst derhalve niet van rechtswege is geëindigd, alsmede achterstallig loon. Laww Interim verzoekt voorwaardelijke ontbinding op basis van de h-grond.

Oordeel

Verzoek werkneemster

Het standpunt van Laww Interim dat de arbeidsovereenkomst met wederzijdse instemming is geëindigd, nu in de e-mail van het UWV van 1 mei 2017 staat dat werkneemster zelf heeft aangegeven niet meer terug te komen, verwerpt de kantonrechter. Artikel 7:611 BW brengt mee dat Laww Interim verplicht was om onder meer te onderzoeken of er sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van werkneemster dat zij de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op grond van het in artikel 1.2 van de arbeidsovereenkomst bepaalde. In artikel 1.2 is bepaald dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd voor het project Secretaresse bij werkgever UWV, alsmede dat de overeenkomst van rechtswege eindigt als het project bij UWV eindigt. Het meest verstrekkende verweer van Laww Interim is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden gekwalificeerd als een uitzendovereenkomst ex artikel 7:690 BW en dat het bepaalde in artikel 1.2 is te beschouwen als een uitzendbeding in de zin van artikel 7:691 lid 2 BW. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende. Alhoewel de arbeidsovereenkomst kenmerken heeft van een uitzendovereenkomst, heeft Laww Interim onvoldoende feiten aangevoerd om ervan uit te kunnen gaan dat partijen hebben bedoeld een uitzendovereenkomst te sluiten. Van belang is dat nergens in de overeenkomst melding wordt gemaakt van ‘uitzenden’ of ‘uitzendovereenkomst’ of vergelijkbare bewoordingen. Nu de kantonrechter van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een uitzendovereenkomst, dient alsnog te worden beoordeeld of de reden voor beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst, te weten: het eindigen van het project bij UWV, zich heeft voorgedaan. Werkneemster stelt terecht dat dit niet het geval is, althans dat uit hetgeen Laww Interim naar voren heeft gebracht niet blijkt dat dit het geval is, op grond van het volgende. Laww Interim heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt dat het UWV aan Laww Interim heeft aangegeven dat het project Secretaresse geëindigd is. Voor zover Laww Interim zich op het standpunt stelt dat onder ‘project Secretaresse’ verstaan moet worden de opdracht aan werkneemster en dat met het eindigen van de opdracht aan werkneemster ook het project is geëindigd, stelt werkneemster terecht dat in dat geval het tijdstip van eindigen van de arbeidsovereenkomst niet objectief, dat wil zeggen onafhankelijk van de wil van partijen, kan worden vastgesteld. De conclusie uit het voorgaande luidt dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege tot een einde is gekomen, ofwel omdat het project niet is geëindigd, ofwel omdat het tijdstip van eindigen van de arbeidsovereenkomst niet objectief kan worden vastgesteld, waardoor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestaat. De verzoeken van werkneemster zijn derhalve in beginsel toewijsbaar.

Tegenverzoek werkgeefster

De kantonrechter ziet aanleiding om het ontbindingsverzoek toe te wijzen, op grond van het volgende. Ook al heeft Laww Interim de ontstane situatie aan zichzelf te wijten, vast staat wel dat het UWV de werkzaamheden in het kader van het project Secretaresse aan een eigen medewerker heeft gegeven, zodat werkneemster daar niet meer terecht kan, terwijl niet gebleken is dat Laww Interim, als detacheringsbedrijf, mogelijkheden heeft om werkneemster binnen het eigen bedrijf te laten re-integreren. Hoewel terughoudendheid betracht moet worden bij ontbindingsverzoeken tijdens ziekte, is de kantonrechter desalniettemin van oordeel dat onder de hiervoor vermelde omstandigheden van Laww Interim in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bovendien is de grond voor ontbinding niet gelegen in de ziekte van werkneemster. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 december 2017. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van zodanig ernstig verwijtbaar handelen door Laww Interim dat een billijke vergoeding op zijn plaats is. Voor de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding houdt de kantonrechter, bij gebrek aan andersluidende aanwijzingen, rekening met de verwachting dat, indien Laww Interim anders had gehandeld, het dienstverband na 25 april 2016 nog twaalf maanden had kunnen voortduren, alsmede met het feit dat werkneemster niet in aanmerking komt voor een transitievergoeding. Gelet daarop zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op € 15.000 bruto.