Rechtspraak
werknemer/EMR
Feiten
EMR is een multidisciplinair ingenieursbureau dat onder andere technische specialisten detacheert. Werknemer is sinds 8 augustus 2011 krachtens arbeidsovereenkomst (op projectbasis) in dienst getreden van EMR in de functie van Piping tekenaar/PID checker, welke overeenkomst op enig moment op grond van artikel 7:668a lid 1 BW voor onbepaalde tijd is gaan gelden. Het laatste project waar werknemer voor werd ingezet, eindigde op 28 april 2017, doordat de opdrachtgever die opdracht had opgezegd. EMR heeft vervolgens gezocht naar een nieuwe opdracht voor werknemer en heeft op 19 april 2017 een opdracht aan werknemer (telefonisch) aangeboden, op welk aanbod werknemer niet is ingegaan. Werknemer stelde zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd op 28 april 2017 en dat het geen toegevoegde waarde meer had om ook nog een door EMR voorgestelde vaststellingsovereenkomst te tekenen. Eind april 2017 heeft EMR een ante-gedateerde brief aan werknemer verzonden, waarin stond dat het project is geëindigd en dat daarmee ook het dienstverband met werkgever is geëindigd. Werknemer verzoekt om EMR te veroordelen tot het betalen van de transitievergoeding.
Oordeel
Werknemer stelde zich buiten rechte op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn e-mail van 1 mei 2017. Daarin weigert hij mee te werken aan een vaststellingsovereenkomst, want de arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd, aldus werknemer. Ter zitting stelt werknemer zich echter op het standpunt dat op basis van de wet inderdaad (toch) niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gold, zodat dit ook in deze procedure vaststaat. Dit betekent dat een einde van rechtswege niet aan de orde is. Nu de arbeidsovereenkomst ook niet is ontbonden, resteert slechts de opzegging door de werkgever als grondslag voor het recht op een transitievergoeding. De door werknemer in het geding gebrachte brief met als dagtekening 29 maart 2017 kan niet als een opzegging worden aangemerkt. Vast staat immers dat die brief eerst eind april 2017 aan werknemer is verzonden en dat het juist werknemer was die zich in de tussentijd herhaaldelijk op het (achteraf onjuist gebleken) standpunt stelde dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd. EMR heeft, nadat het aanbod om een project in Antwerpen te doen door werknemer werd afgewezen, gepoogd de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in overleg te beëindigen via een vaststellingsovereenkomst, doch zonder succes, omdat werknemer bij zijn standpunt bleef dat er geen arbeidsovereenkomst meer was. Van een opzegging door EMR is dus niet gebleken. Op grond van het bovenstaande zal het verzoek aangaande de transitievergoeding worden afgewezen.