Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 11 oktober 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:4994
werknemer/Engie Services Nederland N.V.
Feiten
Werknemer is in de periode van 30 augustus 1970 tot en met 31 december 1972 in dienst geweest bij de rechtsvoorgangers van Engie. In het najaar van 2014 is bij werknemer de diagnose maligne mesothelioom in de vorm van longvlieskanker gesteld. Werknemer heeft Engie op 25 november 2016 gedagvaard. Werknemer vordert dat voor recht wordt verklaard dat Engie aansprakelijk is voor de door werknemer geleden en te lijden materiële en immateriële schade ingevolge artikel 7:658 BW. Werknemer meent dat het beroep van Engie op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hij verwijst in dit verband naar het Van Hese/De Schelde-arrest van de Hoge Raad en de daarin omschreven gezichtspunten.
Oordeel
Gezichtspunten uit Van Hese/De Schelde
Gezichtspunt g stelt de preliminaire vraag naar de voortvarendheid waarmee, na het bekend worden van de ziekte, ten opzichte van de aansprakelijke partij is opgetreden. Die redelijke termijn begon volgens werknemer toen in oktober 2014 de diagnose mesothelioom werd gesteld. Werknemer is spoedig daarna, namelijk op 12 december 2014, overgegaan tot aansprakelijkstelling en hij heeft ook direct de bemiddeling van het IAS ingeroepen. Nadat de bemiddeling van het IAS mislukt was, heeft werknemer eerst een voorlopig getuigenverhoor verzocht en dit voorlopig getuigenverhoor is daarna ook gehouden. Na het plaatsvinden van het voorlopig getuigenverhoor op 4 oktober 2017 heeft werknemer naar het oordeel van de kantonrechter voortvarend en tijdig zijn rechtsvordering ingesteld. De kantonrechter zal nu ingaan op gezichtspunt c, en de daarmee samenhangende gezichtspunten d en e. Wat het mesothelioom betreft geldt het jaar 1969, toen het beroemd geworden proefschrift van J. Stumphius met de titel ‘Asbest in een bedrijfsbevolking, een onderzoek naar het voorkomen van asbestlichaampjes en mesotheliomen op een scheepswerf en machinefabriek’ is gepubliceerd, als het moment waarop algemeen bekend werd dat het werken met asbest niet alleen asbestose en longkanker maar ook mesothelioom kan veroorzaken. Maar ook daarna duurde het nog geruime tijd voordat van een werkelijke omslag in de regelgeving en de omgang met asbest kan worden gesproken. De kantonrechter verwerpt daarom de primaire stelling van werknemer dat voor 1976 bij de rechtsvoorgangers van Engie al bekend had moeten zijn dat ook bij beperkte asbestblootstelling het risico van mesothelioom bestond. In de periode dat werknemer bij de rechtsvoorgangers van Engie met asbesthoudende materialen werkte, rustte op hen als werkgever slechts de verplichting ervoor te zorgen dat hij niet – onbeschermd – langdurig en intensief aan asbeststof werd blootgesteld. Van een dergelijke asbestblootstelling is naar het oordeel van de kantonrechter tussen 1969-1972 en 1972-1977 niet gebleken. Hierbij neemt de kantonrechter, in het licht van gezichtspunt c, nog het volgende in aanmerking. Bij totstandkoming in 1907 van artikel 1638x (oud) BW heeft de wetgever het oog gehad op de werkgever die, zoals toen gebruikelijk was, in zijn eigen bedrijf arbeid deed verrichten. Ook de Veiligheidswet 1935 legde alleen op het hoofd van de onderneming waarin de arbeid werd verricht de verplichting voor de veiligheid van de daar werkenden in te staan. Bij de toepassing van artikel 1638x (oud) BW is decennialang niet gedacht aan de situatie dat de werkgever zijn personeel uitzond of uitleende om elders werkzaam te zijn. Pas in zijn arrest van 15 juni 1990, NJ 1990/716 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat wanneer een werkgever zijn werknemer tewerk stelt bij een derde om werkzaamheden ter uitvoering van diens bedrijf te verrichten en daarbij de zorg voor de veiligheid van de werknemer aan de derde overlaat, hij voor een tekortschieten van de derde in die zorg als voor eigen tekortschieten aansprakelijk is; dit ongeacht het kader waarin de tewerkstelling plaatsvond dan wel de mate van zeggenschap die hij over de werknemer heeft behouden. Nog weer later, in 1999, is aan het toenmalige artikel 7:658 BW een vierde lid toegevoegd waarin is bepaald dat degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door iemand met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de eerste drie leden van dat artikel aansprakelijk is voor de schade die in de uitoefening van de werkzaamheden is geleden. In dit geval, waarin veelvuldig sprake is geweest van inzet van werknemer op grootschalige bouwprojecten waarvan de rechtsvoorgangers van Engie slechts een klein deel uitmaakten en waar de algehele leiding en coördinatie van werkzaamheden niet bij henzelf lag, is het niet verassend en ook niet onredelijk dat de rechtsvoorgangers van Engie er geen rekening mee hebben gehouden op een later moment nog eens te kunnen worden aangesproken. Om die reden is het ook begrijpelijk dat er geen gegevens bewaard zijn gebleven over de aard en de omvang van asbest gerelateerde werkzaamheden of over de blootstelling aan asbest in de ruimten waar werknemer en zijn collega’s werkzaam waren. Dit alles maakt dat het verwijt als bedoeld in gezichtspunt c, dat destijds aan de rechtsvoorgangers van Engie kon worden gemaakt, in zoverre moet worden gerelativeerd dat dit gezichtspunt niet wijst in de richting van een doorbreking van de verjaringstermijn. Voor de gezichtspunten d en e geldt op grond van het voorgaande hetzelfde. De conclusie is dat, op grond van alles wat hierboven is overwogen, geen sprake is van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat het beroep van Engie op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het beroep op verjaring slaagt daarom. Dat betekent dat de vorderingen van werknemer zullen worden afgewezen.