Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 24 oktober 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:4602
FNV c.s./X
Feiten
Vennootschap X is enig aandeelhouder en bestuurder van vennootschap Y. Op 20 mei 2010 vonden onderhandelingen plaats tussen de Federatie Nederlandse Vakbewegingen (hierna: FNV) en Y, nadat Y heeft uitgesproken te willen reorganiseren. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd in een akkoord (hierna: het sociaal plan), dat op 27 mei 2010 is ondertekend. De reorganisatie heeft plaatsgevonden. Op 24 mei 2011 is Y in staat van faillissement verklaard. De curator heeft de arbeidsovereenkomst van de 39 werknemers die nog in dienst waren van Y, opgezegd. FNV c.s. vorderen in deze procedure onder meer dat X wordt veroordeeld tot betaling aan elk van de voormalige werknemers van Y die na de reorganisatie van mei 2010 bij Y in dienst zijn gebleven, maar van wie de arbeidsovereenkomsten in 2011 door de curator in het faillissement van Y zijn opgezegd (hierna: de achterblijvers) een vergoeding die is berekend met inachtneming van het sociaal plan. FNV c.s. hebben daartoe, met een beroep op de Haviltex-norm voor de uitleg van het sociaal plan, aangevoerd dat het sociaal plan ook geldt voor de achterblijvers. De rechtbank heeft het verweer van vennootschap 1 dat het sociaal plan niet geldt voor de achterblijvers gehonoreerd op grond van uitleg van het sociaal plan volgens de cao-norm en de vorderingen van FNV c.s. afgewezen. Het hof heeft bij arrest van 17 maart 2015 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof vernietigd. In dit stadium is aan de orde de voortzetting van het hoger beroep dat FNV c.s. hebben ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Oordeel
De Hoge Raad is in zijn arrest uitgegaan van de door het Hof Arnhem-Leeuwarden vastgestelde feiten. De Hoge Raad heeft uit deze feiten (en binnen deze feitenvaststelling) de naar zijn oordeel relevante karakteristieken van dit geval gedestilleerd voor de bepaling van de maatstaf voor de uitleg van het sociaal plan. Of de heren A en B bevoegd waren om ook namens X te onderhandelen over het sociaal plan heeft de Hoge Raad daarbij niet benoemd. Daaruit moet worden afgeleid dat deze omstandigheid naar het oordeel van de Hoge Raad niet relevant is, bij welk oordeel het hof zich aansluit. Dat de toepassing van de cao-norm in dit geval niet gerechtvaardigd is staat los van de vraag of A en B bij de onderhandelingen over het sociaal plan ook namens X hebben onderhandeld. X had, als bestuurder en enig aandeelhouder van Y, inzicht in en zeggenschap over het beleid van Y met betrekking tot het sociaal plan en heeft uit dien hoofde A en B bij de onderhandelingen tussen Y en FNV over het sociaal plan aanwezig laten zijn. Daarom kunnen de uitgesproken partijbedoelingen bij X bekend worden verondersteld. Voorts mag bij X, als bestuurder van Y, eveneens de inhoud van de conceptversies van het sociaal plan en van de inhoud van het advies van de OR bekend worden verondersteld. Deze omstandigheden rechtvaardigen om af te wijken van de cao-norm. Voor de uitleg van het sociaal plan is daarom niet van belang of A en B bevoegd waren om ook namens X te onderhandelen over het sociaal plan. Evenmin is van belang of zij bevoegd waren om namens X te onderhandelen over de borgtocht, omdat vaststaat dat de borgtocht namens X is aangegaan door de daartoe bevoegde directeur van X. Op grond van deze overwegingen wordt het bewijsaanbod van X om door middel van getuigen te bewijzen dat A en B niet bevoegd waren om namens X te onderhandelen gepasseerd, omdat dit niet tot beslissing van de zaak kan leiden. In het onderstaande is de toepassing van de maatstaf, zoals opgenomen in het arrest van de Hoge Raad, aan de orde. Het hof stelt daarbij voorop dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die leiden tot de slotsom dat ook de achterblijvers onder het sociaal plan vallen op FNV c.s. rust. In het bijzonder gaat het, naast de feiten en omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling volgens de cao-norm, om (1) de voor derden niet kenbare bedoelingen van de opstellers van het sociaal plan, (2) de niet-openbare eerdere concepten van het sociaal plan en het positieve advies van de OR bij het reorganisatieplan. Oordelend naar deze maatstaf is de slotsom dat FNV voorlopig is geslaagd in het op haar rustende bewijs. FNV c.s. hebben zich allereerst beroepen op de verklaringen die zijn afgelegd in het voorlopig getuigenverhoor. Deze getuigenverklaringen van alle bij de onderhandelingen op 20 mei 2010 aanwezige vertegenwoordigers van FNV en van de als getuige gehoorde deelnemers van de werkgeversvertegenwoordiging C en D zijn eenduidig op het punt dat FNV vóór en tijdens de bijeenkomst als eis had gesteld dat het sociaal plan ook van toepassing zou zijn op de achterblijvers. Ze stemmen voorts overeen op het punt dat de controller van X, na tijdens een schorsing te hebben getelefoneerd met de directeur van X, die eis heeft geaccepteerd. Voorts hebben zowel bestuurder E van FNV als bestuurder F van FNV verklaard dat er een verband was tussen de toepassing van het sociaal plan op de achterblijvers en de verlenging van de werkingsduur van het sociaal plan tot 31 december 2015. Tegenover deze in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen heeft X schriftelijke verklaringen van A en B en de directeur van X overgelegd, maar deze missen de bewijskracht die wel aan de tegenover de rechter in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen kan worden toegekend. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft X er kennelijk van afgezien A, B en de directeur van X in het kader van het voorlopig getuigenverhoor in contra-enquête te horen. Deze schriftelijke verklaringen leggen daarom voorshands onvoldoende gewicht in de schaal. Ze kunnen niet afdoen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de als getuigen gehoorde personen. De geloofwaardigheid van de verklaringen van de getuigen op deze punten wordt ondersteund door het advies van de ondernemingsraad. FNV c.s. hebben gesteld dat de ondernemingsraad er bij zijn positieve advies op grond van de aan hem door FNV verschafte informatie, van uit is gegaan dat het sociaal plan op de achterblijvers van toepassing was en dit is door X niet betwist. Wat betreft het opstellen van achtereenvolgende versies van het sociaal plan wordt overwogen dat Y een eerste versie van het sociaal plan bij de adviesaanvraag van 7 april 2010 aan de OR had voorgelegd, waarin sprake was van een looptijd tot en met 31 december 2010. Het opstellen van de eindversie van het sociaal plan is blijkens de verklaringen van de getuigen na 20 mei 2010 gebeurd door Y. Daarin is de einddatum van het sociaal plan gewijzigd in 31 december 2015. Uit de in het geding zijnde bewijsmiddelen volgt dus voorshands dat op 20 mei 2010 mondeling tussen FNV en Y is overeengekomen dat het sociaal plan ook van toepassing zou zijn op de achterblijvers en dat in verband daarmee de looptijd van het sociaal plan is verlengd. Voorts is niet gebleken dat na 20 mei 2010 nader is overeengekomen dat het sociaal plan, in afwijking van de mondelinge overeenkomst van 20 mei 2010, niet op de achterblijvers van toepassing zou zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt. X heeft in dit geding niet gesteld dat Y bij het opstellen van de eindversie van het sociaal plan bewust heeft willen afwijken van de op 20 mei 2010 bereikte overeenstemming. Uit de verklaringen van de tot de onderhandelingsdelegatie van FNV behorende getuigen blijkt dat ook FNV ervan uitging dat de eindversie van het sociaal plan de neerslag was van de op 20 mei 2010 bereikte overeenstemming. FNV mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat Y haar zou attenderen op een van die overeenstemming afwijkende vastlegging in het gewijzigde sociaal plan. De ondernemingsraad is er bij het uitbrengen van zijn positieve advies, op basis van de hem door FNV verschafte informatie, van uitgegaan dat het sociaal plan ook van toepassing was op de achterblijvers en dat was voor Y kenbaar. Gelet op deze omstandigheden mocht FNV aan het achterwege blijven van een waarschuwing van Y redelijkerwijs de betekenis toekennen dat Y bleef bij haar acceptatie dat het sociaal plan op de achterblijvers van toepassing was. X heeft op zichzelf terecht aangevoerd dat de bewoordingen van artikel 1.2 van het sociaal plan van grote betekenis zijn voor de uitleg van het sociaal plan. De taalkundige betekenis van deze bewoordingen is gezien het hierboven overwogene evenwel niet bepalend. X heeft tegenbewijs aangeboden door het horen van A en B als getuige. Het hof zal X toelaten tot het aangeboden tegenbewijs. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.