Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 24 oktober 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:9212
werkneemster/Stichting Nederlandse Publieke Omroep
Feiten
De raad van bestuur van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (hierna: NPO) heeft na consultering van de ondernemingsraad op 28 juli 2011 het besluit genomen tot implementatie van de nieuwe hoofdstructuur van de NPO. Het besluit had personele gevolgen. Ten behoeve daarvan is een Sociaal Plan Landelijke Publieke Omroepen opgesteld en van toepassing verklaard voor de periode van 1 juni 2010 tot en met 31 december 2013. Ten behoeve van de beëindiging van het dienstverband met werkneemster is tussen partijen op 13 februari 2013 een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso) overeengekomen, waarbij onder meer de financiële gevolgen voor werkneemster conform het sociaal plan zijn geregeld. Op de arbeidsverhouding tussen partijen is van toepassing het door PNO vastgestelde Pensioenreglement PNO Pensioenregeling 1. Het pensioenfonds hanteert ten behoeve van de ingangsdatum pensioenopbouw als datum indiensttreding van werkneemster bij NPO (althans haar rechtsvoorganger) 1 april 1981. Werkneemster vordert veroordeling van NPO tot betaling van pensioenpremies aan het betrokken pensioenfonds ten behoeve van werkneemster over de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen overwegende dat deze is verjaard. Tegen dit vonnis komt werkneemster in hoger beroep.
Oordeel
Pensioenpremie: arbeidsovereenkomst
Voor zover werkneemster aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat de verplichting tot betaling zijn grondslag vindt in het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen haar en NPO per 1 april 1978 geldt het volgende. In deze visie van werkneemster heeft NPO nagelaten haar verplichting (afdracht pensioenpremie aan het pensioenfonds) uit de per 1 april 1978 bestaande arbeidsovereenkomst na te komen. Partijen hebben zich voor wat betreft de toepasselijke verjaringsregels gebaseerd op het huidige Burgerlijk Wetboek. Uitgaande van maandelijkse opeisbaarheid van de afdracht van pensioenpremiebetalingen gaat het om de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981. Onder het toen toepasselijke recht gold een verjaringstermijn van 30 jaar. Per 1 januari 1992 is ingevoerd het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 73 Overgangswet bleef het oude recht nog slechts gedurende één jaar van toepassing. Dat betekent dat de oude verjaringstermijn van dertig jaar door de kortere verjaringstermijn van het nieuwe recht (art. 3:308 BW, periodieke vorderingen, verjaringstermijn van vijf jaar) per 1 januari 1993 werd verdrongen zodat de verjaring, gelet op die kortere termijn, per 1 januari 1993 was voltooid. Op basis van de nu besproken, veronderstelde, grondslag van de vordering heeft de kantonrechter juist geoordeeld en slaagt de eerste grief niet.
Pensioenpremie: vaststellingsovereenkomst
Werkneemster komt voorts op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep van werkneemster op de vso, waarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst is aangevangen op 1 april 1978, niet afdoet aan het gegeven verjaringsoordeel. De kantonrechter heeft de stellingen van werkneemster met betrekking tot de verschuldigde pensioenpremies over de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981 kennelijk aldus opgevat dat het enkele feit dat in de vso als datum aanvang dienstverband is genoemd 1 april 1978 de grondslag van de vordering (nakoming arbeidsovereenkomst) onverlet laat. Dat oordeel is begrijpelijk. De stellingen van werkneemster lijken echter ook aldus te moeten worden opgevat dat zij als alternatieve of subsidiaire grond onder haar vordering heeft geschoven de stelling dat de vso zelf (en niet de arbeidsovereenkomst) de verplichting tot aanvullende pensioenpremiebetaling in het leven riep. Uitgaande van die grondslag en vaststellende dat de vso is gesloten op 13 februari 2013 geldt dat de vordering van werkneemster binnen vijf jaren na die datum is ingesteld en derhalve, hoe dan ook, niet is verjaard. De nu te bespreken stelling van werkneemster houdt het volgende in. Op 13 februari 2013 hebben partijen de rechtstoestand tussen hen uitdrukkelijk vastgelegd in de vso. In die overeenkomst is bepaald dat het dienstverband is aangevangen op 1 april 1978. Ook is daarin bepaald dat NPO alle verplichtingen die uit het dienstverband voortvloeien met betrekking tot de Pensioenwet en/of bepalingen uit geldende pensioenregelingen zal nakomen. De vso verplichtte aldus tot het (alsnog) betalen van de pensioenpremies aan het desbetreffende pensioenfonds over de periode van 1 november 1978 (toen werkneemster gerechtigd werd tot deelname aan het pensioenfonds) tot 1 april 1981. Door NPO is overgelegd het sociaal plan. In dat plan is neergelegd welke financiële regeling getroffen wordt voor hen met wie de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Kort gezegd is daarin opgenomen een formule om tot berekening van de toepasselijke vergoeding te komen. Die formule is gebaseerd, onder andere, op het aantal gewogen dienstjaren. Voor bepaling van de vergoeding diende aldus te worden nagegaan hoeveel dienstjaren de betrokkene had. In de vso (in art. 9) is ook opgenomen een additionele regeling voor werknemers die kunnen aantonen dat zij, voorafgaand aan indiensttreding bij de werkgever werkzaam zijn geweest op basis van een overeenkomst van opdracht (freelance). Op 22 januari 2013 is aan werkneemster aangeboden het concept van een beëindigingsovereenkomst op basis van dit sociaal plan. Daarin was thans als datum indiensttreding opgenomen 1 april 1981. Als vergoeding ex artikel 8 sociaal plan was daarin opgenomen een bedrag van € 310.524,94. Als additionele vergoeding op basis van artikel 9 sociaal plan (freelancejaren) was daarin voorzien in betaling van een bedrag van € 20.251,63. Werkneemster heeft op 1 februari 2013 op dit voorstel gereageerd met de mededeling dat zij in zes jaren voorafgaand aan 1 april 1981 werkzaam was geweest op basis van (elkaar opvolgende) arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. In reactie daarop heeft mevrouw A (hoofd Personeel & Organisatie van NPO) op 1 februari 2013 aan werkneemster laten weten te betwisten dat voorafgaand aan 1 april 1981 sprake is geweest van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Op 13 februari is vervolgens de definitieve versie van de vso opgemaakt en ondertekend. Daarin is als datum indiensttreding genoemd 1 april 1978, is het op basis van artikel 8 sociaal plan te betalen bedrag verhoogd naar € 330.776,57 en is het op basis van artikel 9 sociaal plan (freelancejaren) te betalen bedrag verlaagd naar € 10.125,81. Uit de aldus beschreven gang van zaken blijkt dat NPO in het kader van de onderhandelingen over de toepassing van het sociaal plan op werkneemster en de op basis daarvan op te maken vaststellingsovereenkomst bereid is geweest werkneemster te behandelen alsof zij reeds vanaf 1 april 1978 in dienst was zodat haar op basis van het sociaal plan een hogere vergoeding kon worden toegekend. Uit de beschreven gang van zaken blijkt niet dat de pensioensituatie van werkneemster aan de orde is geweest. Dat zulks anderszins uitdrukkelijk het geval geweest is heeft zij niet gesteld. Kortom, uitleg van de vso leidt ertoe vast te stellen dat de datum van 1 april 1978 niet in de vso terecht is gekomen op basis van erkenning zijdens NPO van het daadwerkelijk bestaan van een dienstverband met NPO reeds vanaf 1 april 1978, maar slechts als rekendatum voor toekenning van de vergoeding van de artikelen 8 en 9 van het sociaal plan. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.