Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 21 november 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:10209
werkneemster/Sallcon B.V.
Feiten
Werkneemster is op 31 augustus 2001 in dienst getreden bij Sallcon. Zij heeft zich met ingang van 2 juni 2009 ziek gemeld. Het deskundigenoordeel van 13 januari 2011 luidde dat werkneemster in staat is haar werkzaamheden te hervatten. Partijen hebben besloten de re-integratie op te starten per 9 maart 2011. Op 9 maart 2011 heeft werkneemster haar werkzaamheden niet hervat. Na een aankondiging vooraf heeft Sallcon de niet gewerkte uren ingehouden op het loon. Nadat werkneemster haar werkzaamheden had hervat op 14 maart 2011, heeft zij zich op 16 maart 2011 opnieuw ziek gemeld. In de daarvoor opgegeven reden heeft Sallcon opnieuw geen aanleiding gezien om ziekteverlof toe te kennen. Opnieuw zijn de niet gewerkte uren ingehouden op het loon. Uit een nadere rapportage van de ingeschakelde bedrijfsarts en psycholoog is gebleken dat er voor werkneemster geen belemmeringen waren voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Met toestemming van het UWV is de arbeidsovereenkomst door Sallcon met ingang van 1 december 2011 opgezegd met als reden het verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Bij besluit van 22 oktober 2012 is door het UWV per 6 augustus 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Werkneemster vordert onder meer betaling van € 3.037,13 bruto achterstallig loon. De kantonrechter heeft overwogen dat werkneemster geen verklaring heeft overgelegd als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW en dat de beslissing tot toekenning van de WIA-uitkering niet met deze verklaring kan worden gelijkgesteld. De kantonrechter heeft werkneemster niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Werkneemster komt tegen dit vonnis in hoger beroep.
Oordeel
Het toekennen van een WGA-uitkering zegt iets over de arbeidsgeschiktheidssituatie op het moment van toekenning, mogelijk – zoals in dit geval – met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de uitkering, maar geeft geen uitsluitsel over de vraag of de uitkeringsgerechtigde in de periode daarvoor belastbaar was voor re-integratie in de eigen functie of met andere passende werkzaamheden. Integendeel: naast de vermelde second opinion uit januari 2011 is er ook nog de rapportage (die overigens niet in de procedure is overgelegd) van enkele maanden later, waaruit volgt dat werkneemster juist wel belastbaar was voor re-integratiewerkzaamheden. De kantonrechter heeft werkneemster dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar loonvordering bij gebreke van een ‘629a-verklaring’. Dat werkneemster een dergelijke verklaring niet meer kon verkrijgen nadat zij vier jaar had gewacht met haar loonvordering, komt voor haar risico. Met de tweede grief komt werkneemster op tegen de overweging van de kantonrechter dat alleen loon is ingehouden. Werkneemster blijft erbij dat er daarnaast vakantiedagen zijn afgeboekt. Dat staat immers op de loonstroken: afgeboekt zijn ‘verlofuren eigen rekening’. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met partijen vastgesteld dat de salarisspecificaties geen overzicht van openstaande en opgenomen vakantiedagen bevatten. Namens werkneemster is geen onderbouwing verschaft van haar stelling dat, voor de dagen waarop zij ten onrechte niet op het werk verscheen, niet alleen loon is ingehouden maar ook vakantiedagen zijn afgeboekt (waarmee zij dan ‘dubbel’ gestraft zou worden). Het hof kan uit de overgelegde salarisspecificaties niet anders opmaken dan dat op het brutoloon brutobedragen zijn ingehouden die corresponderen met het aantal uren waarop niet zou zijn gewerkt. Dat is terecht. Ook grief 2 faalt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.