Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 6 december 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:11910

werknemer/werkgever

Geldvordering van werknemer met vier onderdelen: foutieve verrekening van voorschotbetalingen, uitbetaling niet opgenomen verlof- en adv-uren, loondoorbetalingsverplichting tijdens derde ziektejaar en te late betaling na overeengekomen beëindigingsregeling.

Feiten

Werknemer is op 24 februari 2003 in dienst getreden bij werkgever. Werknemer was werkzaam als servicemonteur. De arbeidsovereenkomst is per 17 oktober 2016 geëindigd. Werknemer is van 8 april 2014 tot en met 23 mei 2016 volledig arbeidsongeschikt geweest. Vanaf 24 mei 2016 is werknemer in het kader van re-integratie weer kunnen starten met werkzaamheden. Dit heeft erin geresulteerd dat werknemer na enkele weken fulltime gedetacheerd werd bij Comfort Partners B.V. en uiteindelijk per 17 oktober 2016 in dienst is getreden bij Comfort Partners B.V. In een eerder bij de kantonrechter aanhangig gemaakte procedure hebben partijen een regeling getroffen. Werknemer vordert – samengevat – veroordeling van werkgever tot betaling van een bedrag van € 1.023,30 netto en een bedrag van € 23.647,61 bruto. Werkgever voert verweer.

Oordeel

De vordering van werknemer bestaat uit een viertal onderdelen, te weten: de te late betaling van de op 17 oktober 2016 overeengekomen bedragen; foutieve verrekening van voorschotbedragen; uitbetaling niet opgenomen verlof- en adv-uren en loonaanspraak tijdens derde ziektejaar. Tijdens de comparitie op 7 november 2017 is zijdens werkgever erkend dat de in het kader van de vaststellingsovereenkomst van 17 oktober 2016 afgesproken nettobedragen van € 384,50 en € 178,50 te laat zijn betaald. De kantonrechter is van oordeel dat het onderhavige bedrag niet anders kan worden aangemerkt dan loon als bedoeld in artikel 7:625 BW en werknemer derhalve terecht aanspraak maakt op de verhoging. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer zijn vorderingsrecht genoegzaam heeft aangetoond zodat een nettobedrag van € 111,84 + € 397,07 = € 508,91 voor toewijzing gereed ligt. Werknemer meent aanspraak te kunnen maken op uitbetaling van 843,90 verlofuren en 57,99 adv-uren. Wat betreft het opbouwen van adv kan de kantonrechter kort zijn. In de arbeidsovereenkomst is immers onder 7 opgenomen dat tijdens arbeidsongeschiktheid van de werknemer geen adv-rechten worden opgebouwd. In 2014 was werknemer vanaf 8 april volledig arbeidsongeschikt zodat hij moet worden geacht niet in staat te zijn geweest zijn vakantie op te nemen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest de wettelijke vakantieopbouw van 2015 uiterlijk zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven op te nemen. Het totaalaantal openstaande uren komt daarmee op 815,9 uren. Werknemer vordert daarnaast een vergoeding wegens wettelijke verhoging ad 50%. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding deze vergoeding te matigen tot een bedrag van € 1.000 bruto. Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij tijdens het derde ziektejaar aanspraak kan maken op 100% doorbetaling van het loon. De kantonrechter stelt vast dat gesteld noch gebleken is van een wettelijke of bovenwettelijke regeling tot betaling van een hoger percentage tijdens ziekte in het derdee ziekte jaar. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de in de cao getroffen nadere regeling wat betreft het tweede ziekte jaar in geval van een door het UWV opgelegde loonsanctie doorwerking heeft op de periode waarover de loonsanctie zich uitstrekt. Deze vordering wordt daarom afgewezen. Werkgever zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.