Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/CRH Structural Concrete BV
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 4 december 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:10769

werknemer/CRH Structural Concrete BV

Ontslag op staande voet terecht. Alleen al de verzwijging van betrokkenheid bij de holding en de ondernemingen waarin de holding deelneemt, met de wetenschap van de activiteiten binnen de ondernemingen en daarmee belangenverstrengeling, rechtvaardigt het ontslag op staande voet. Onverwijldheid.

Feiten

Werknemer is sinds 2011 in dienst bij CRH Structural Concrete BV (hierna: CRH) als accountmanager van de Buigcentrale, een bedrijfsonderdeel van CRH. C en werknemer zijn samen eigenaar/bestuurder van de besloten vennootschap Gebroeders E Holding B.V. (hierna: de holding). De holding is voor een derde aandeelhouder in het Noordelijk Vlechtbedrijf B.V. (hierna: NVB), terwijl NVB bestuurder en 100% aandeelhouder is van Bouw- en Montagebedrijf Noord B.V. (hierna: BMN). Daarnaast participeert de holding in Concrete People B.V., een uitzendbedrijf. Bij brief van 10 december 2015 heeft CRH aan werknemer ontslag op staande voet verleend. In de ontslagbrief staat onder meer dat is gebleken dat werknemer ten onrechte heeft verklaard dat hij geen nevenactiviteiten had, zich niet coöperatief heeft opgesteld tijdens het onderzoek door Hoffmann Bedrijfsrecherche door te weigeren bepaalde vragen te beantwoorden en ten onrechte heeft verklaard dat CRH niets met staalleveringen door de holding te maken heeft, terwijl de holding ten minste twee keer staal van CRH beneden de marktprijs heeft doorverkocht aan Kropp Stahl zonder dat de opbrengst ten goede is gekomen aan CRH. Werknemer vordert vernietiging van het ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer afgewezen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.

Oordeel

Onverwijldheid

Met zijn stelling dat er na het gesprek met hem op 27 november 2015 geen nader onderzoek nodig was, miskent werknemer dat hij in dit gesprek geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat bij Kropp Stahl staal is afgeleverd waarbij labels zijn aangetroffen die te herleiden zijn naar staal dat door Intersig N.V. aan CRH is geleverd, met facturen en vrachtbrieven van de holding. Evenmin heeft werknemer willen verklaren waar hij dit staal heeft ingekocht. Ook heeft hij geweigerd antwoord te geven op de vraag wie directeur dan wel aandeelhouder van BMN is en van welk uitzendbureau BMN/NVB uitzendkrachten betrekt. Begrijpelijk is dat CRH verder onderzoek heeft laten doen. CRH heeft voldoende inzichtelijk gemaakt welke onderzoeksactiviteiten zij nog heeft verricht. Na de e-mail van X van 7 december 2015 waarmee werd bevestigd welke documenten hij eerder van Kropp Stahl had ontvangen (welke documenten het vermoeden wekten dat het geleverde staal afkomstig was van CRH), zijn D, C en werknemer uitgenodigd voor een gesprek met CRH op 10 december 2015. Het hof is van oordeel dat CRH terecht nog gelegenheid voor hoor en wederhoor heeft willen bieden na het nadere onderzoek. C en werknemer hebben geweigerd te komen, waarna zij op staande voet zijn ontslagen. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat dit ontslag onverwijld is gegeven.

Dringende reden

Werknemer ontkent dat de holding staal van CRH aan Kropp Stahl heeft geleverd. Hij erkent echter dat hij via die holding staal heeft verkocht en twee keer aan Kropp Stahl heeft geleverd. Dat zijn nevenactiviteiten waarvoor hij geen toestemming van zijn werkgever had. Zelfs als het hof, louter veronderstellenderwijs ondanks diverse aanwijzingen voor het tegendeel, tot het oordeel zou komen dat onvoldoende vaststaat dat werknemer staal van CRH aan Kropp Stahl heeft geleverd waardoor de grief tegen het andersluidende oordeel van de kantonrechter zou slagen, dan nóg komt het hof in dit geval tot het oordeel dat de kantonrechter het ontslag terecht in stand heeft gelaten. Daartoe wordt als volgt overwogen. Bij gegrondheid van een grief brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof de niet behandelde of verworpen verweren en de niet prijsgegeven stellingen van CRH in eerste aanleg moet beoordelen, voor zover deze hiervoor nog niet door het hof zijn besproken. Zoals uit de ontslagbrief blijkt zijn immers alle aan het ontslag ten grondslag gelegde redenen op zichzelf, volgens CRH, reden voor ontslag op staande voet, zodat dit ontslag niet reeds onderuit gaat wanneer het hof (zoals hiervoor al aangegeven: geheel veronderstellenderwijs) zou menen dat de andere grieven van werknemer, die uitsluitend betrekking hebben op levering van staal van CRH aan Kropp Stahl en zijn betrokkenheid daarbij, slagen. CRH heeft ook aan het ontslag ten grondslag gelegd dat werknemer verboden nevenactiviteiten heeft verricht, dat niet heeft gemeld en daarover onwaarheden heeft verteld. Deze verwijten zijn terecht en het oordeel van de kantonrechter dat deze verwijten niet aan werknemer kunnen worden tegengeworpen is onjuist. Het enkele feit dat B omstreeks 2012 wist van betrokkenheid van werknemer bij Concrete People bewijst niet dat B ook wist dat werknemer hierbij via zijn holding belang had, en dat die holding ook betrokken was bij andere activiteiten zoals het belang in NVB en het daaronder hangende BMN. Als bestuurder van de holding moet werknemer op de hoogte zijn geweest van de deelname in NVM en daarmee BMN, en met de activiteiten van deze bedrijven in Hal E. Uit de onderlinge communicatie tussen de broers E, D en G, waarvan verslag is gedaan in het rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche en waarvan de juistheid niet is betwist, blijkt dat werknemer voor zijn werkzaamheden voor deze bedrijven ook een periodieke managementfee heeft ontvangen. In zijn functie van accountmanager bij CRH heeft hij werkzaamheden uitbesteed aan NVM/BMN en materiaal van CRH geleverd. Dit alles gebeurde terwijl werknemer, nog los van het uitdrukkelijke verbod in zijn arbeidscontract op nevenactiviteiten zonder toestemming, ervoor was gewaarschuwd dat CRH geen belangenverstrengeling door nevenactiviteiten wenste, zoals blijkt uit de ervaring met Concrete People. B heeft, gehoord als getuige, uitdrukkelijk verklaard dat hij blijft bij zijn schriftelijke verklaring van 21 maart 2016, en daarin staat dat B voor, tijdens en na indiensttreding van de broers E niet bekend was met de holding, BMN en NVB en evenmin wist dat de broers activiteiten vanuit die bedrijven aanboden. Deze verklaring strookt met die van D tegenover Hoffmann Bedrijfsrecherche, waarin D verklaart dat binnen CRH niemand wist dat hij en de broers E bij die vennootschappen betrokken zijn behalve C, werknemer en hijzelf. Het feit dat CRH in 2012 een factuur heeft ontvangen van de holding voor een geleverde aanhangwagen doet aan het voorgaande niet af. Dat geldt ook voor de mail van de advocaat van D. Niet alleen is het, gezien de inhoud van die mail, onlogisch dat met het woord 'Holding' daarin gedoeld wordt op de holding van de broers E, ook hecht het hof meer gewicht aan de uitdrukkelijke verklaringen van B en D over de wetenschap binnen CRH. Het behoeft geen betoog dat werknemer zich niet kan vrijpleiten met een beroep op wetenschap van D, die nauw bij de verweten gedragingen was betrokken, door die wetenschap toe te rekenen aan CRH. Alleen al de verzwijging van betrokkenheid bij de holding en de ondernemingen waarin de holding deelneemt, met de wetenschap van de activiteiten binnen NVM en BMN en daarmee belangenverstrengeling, rechtvaardigt in de omstandigheden van dit geval ontslag op staande voet. Bij dit alles komt nog de passage uit het gespreksverslag van H met werknemer. Daaruit volgt dat werknemer een gewaarschuwd man was. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.