Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18 oktober 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:6012

werkgeefster/werknemer

Uitleg incorporatiebeding. Uitleg overeenkomst op basis van Haviltex-criterium: werkgeefster zou de ploegentoeslag afbouwen volgens afbouwregeling, maar tevens is de afbouwstopregeling bij 55 jaar van toepassing. Rechten uit geëxpireerde cao zijn van toepassing, ook nu er een nieuwe cao van kracht is geworden die eventuele rechten die voortvloeien uit eerdere cao’s doet vervallen.

Feiten

Werkgeefster is een onderneming die zich specialiseert in het vervaardigen van drukwerk. Werknemer is op 26 maart 1987 in dienst getreden. Artikel 1 van deze arbeidsovereenkomst luidt: Op deze overeenkomst is de C.A.O. voor het grafisch bedrijf in Nederland van toepassing, echter uitsluitend indien en voor zolang deze C.A.O. van kracht is en indien partijen werkgever, respectievelijk werknemer in de zin van deze C.A.O. zijn en blijven.’ In de eerste helft van 2015 heeft werkgeefster een reorganisatie doorgevoerd, waarbij met ingang van 1 juli 2015 overgestapt is van een vierploegendienst naar een drieploegendienst. Hierdoor gingen de betrokken werknemers een lagere ploegentoeslag ontvangen. Op 11 juni 2015 heeft werknemer een brief ontvangen met een afbouwschema waarbij het brutoloon inclusief ploegentoeslag vanaf 1 januari 2016 in twaalf maandelijkse stappen van € 24,50 wordt afgebouwd van € 3.532,58 naar € 3.240,91. De cao-partijen binnen de grafische sector hebben een cao Grafimedia gesloten voor de duur van 1 november 2015 tot 1 april 2018 (hierna de cao 2015-2018). Op 15 februari 2016 heeft werknemer de leeftijd van 55 jaar bereikt. Partijen verzoeken de kantonrechter op de voet van artikel 96 Rv te oordelen over de volgende vragen:

1. Is er sprake van een verworven recht op basis waarvan werknemer aanspraak kan maken op de afbouwstop uit hoofde van de cao 2012-2013?

2. Is werkgeefster verplicht om de afbouwstop uit hoofde van de cao 2012-2013 toe te passen?

3. Kan werknemer, gelet op artikel 13.2 van de cao 2015-2018, niet langer aanspraak maken op rechten en plichten uit hoofde van verstreken cao’s?

Oordeel

Vraag 1 en 2

De door partijen aan de kantonrechter voorgelegde eerste twee vragen komen in wezen neer op de vraag of bij toepassing van de afbouwregeling ten aanzien van werknemer de afbouwstop in verband met het bereiken van de leeftijd van 55 jaar moet worden toegepast of niet. Allereerst dient het incorporatiebeding te worden uitgelegd. Dit moet aldus worden uitgelegd dat steeds de geldende cao van toepassing is, dat werknemer er ook na het verstrijken van de looptijd recht op heeft dat deze wordt toegepast, en wel totdat een nieuwe cao in werking is getreden, en dat vanaf dat moment deze nieuwe cao van toepassing wordt, en dit alles via de weg van incorporatie. Naar het oordeel van de kantonrechter is tussen partijen een afbouwregeling van de ploegentoeslag overeengekomen: blijkens de ter zitting door werkgeefster gegeven toelichting is in een bijeenkomst met het personeel aangekondigd dat een afbouwregeling zou worden toegepast (hoewel zij niet zeker weet of daarbij wel of niet expliciet is aangegeven dat deze op de cao was gebaseerd), aan werknemer is de wijze van afbouw op 11 juni 2015 schriftelijk meegedeeld, en werknemer heeft een en ander kennelijk stilzwijgend aanvaard. Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of de inwerkingtreding van de cao 2015-2018 per 1 november 2015 deze overeenkomst doorkruist dient de tussen partijen overeengekomen overeenkomst met betrekking tot de afbouwregeling te worden uitgelegd. Dit dient te geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium. De kantonrechter acht in dit verband van belang dat werkgeefster is aan te merken als de professionele partij, en werknemer niet. Uit de door werkgeefster ter zitting gegeven toelichting blijkt verder dat het haar bedoeling was de afbouwregeling van de cao toe te passen, inclusief de afbouwstop bij een 55-jarige leeftijd. Zij zou deze afbouwstop ook expliciet schriftelijk aan werknemer hebben bevestigd indien zij zich had gerealiseerd dat hij tijdens de afbouwperiode 55 jaar zou worden. Zo heeft zij ten aanzien van de werknemers die bij het ingaan van de afbouw reeds 55 jaar oud waren, géén afbouwregeling toegepast. Werkgeefster was destijds niet bekend met de inhoud van de nog te sluiten cao, noch heeft zij ter zake een voorbehoud gemaakt. Gelet op deze omstandigheden houdt de overeenkomst naar het oordeel van de kantonrechter in dat werkgeefster de ploegentoeslag zou afbouwen volgens de afbouwregeling, maar dat tevens de afbouwstopregeling bij 55 jaar van toepassing is. Vanwege de inhoud van de overeenkomst en de bedoeling van partijen kan werkgeefster daarop – mede gelet op de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst – niet terugkomen op de grond dat na het aangaan van de overeenkomst een cao van kracht is geworden die eventuele rechten die voortvloeien uit eerdere cao’s doet vervallen.

 

Vraag 3

Naar de kantonrechter begrijpt stelt deze vraag aan de orde of werknemer in zijn algemeenheid niet langer aanspraak kan maken op rechten en plichten uit hoofde van verstreken cao’s. Nu niet is gesteld of gebleken dat een geschil tussen partijen bestaat anders dan met betrekking tot de toepassing van de afbouwstop dienen partijen in hun verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.