Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 20 oktober 2017
ECLI:NL:RBNHO:2017:9027
werkgever/werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 1 mei 2002 in dienst getreden bij werkgever. Directeur-eigenaar van werkgever is tevens de broer van werkneemster. Op 7 juni 2016 is werkneemster opgenomen in het ziekenhuis. Op 4 juli 2016 is werkneemster in verband met hevige hoofdpijnen opnieuw en met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Werkneemster is daardoor rond die opnamen korte tijd arbeidsongeschikt geweest. Op 2 september 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de directeur en werkneemster. De directeur heeft daarbij onder meer tegen werkneemster gezegd dat een samenwerking met haar bijna onmogelijk was. Op 22 september 2016 heeft de directeur werkneemster meegedeeld dat hij diezelfde dag met haar een gesprek wilde. Op 23 september 2016 heeft werkneemster haar arts geconsulteerd omdat zij last had van onder meer migraineaanvallen. Werkneemster heeft zich die dag bij werkgever ziek gemeld. Op 1 oktober 2016 heeft de directeur werkneemster een e-mail gestuurd over de onderlinge spanningen. Bij e-mail van 1 oktober 2016 heeft de echtgenoot van werkneemster de directeur gevraagd om werkneemster voorlopig met rust te laten en hij heeft aangegeven dat werkneemster zelf contact met de directeur zal opnemen. Werkgever heeft werkneemster met ingang van 3 juli 2017 hersteld gemeld bij de arbodienst. Op 6 juli 2017 heeft werkgever onderhavig ontbindingsverzoek ingediend. Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden (g-grond).
Oordeel
Gelet op het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 BW staat het opzegverbod (ziekte) niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met het opzegverbod en de arbeidsovereenkomst mede in het belang van werkneemster behoort te eindigen, nu zij heeft aangegeven dat die beëindiging haar herstel ten goede zal komen. De kantonrechter is van oordeel dat herplaatsing van werkneemster niet mogelijk is, gelet op de ernstig verstoorde verhoudingen. De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal toewijzen. Gelet op artikel 7:673 lid 2 BW heeft werkneemster aanspraak op een transitievergoeding van € 8.133 bruto, welk bedrag door werkgever niet is weersproken. De kantonrechter ziet aanleiding om aan werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken is de arbeidsverhouding tussen partijen pas verstoord geraakt naar aanleiding van de (korte) gesprekken op 2 en 22 september 2016 en de daarop gevolgde ziekmelding van werkneemster op 23 september 2016. Het heeft er alle schijn van dat werkgever van werkneemster verlost wilde worden toen werkneemster ziek werd. Dit, gevoegd bij de op werkneemster uitgeoefende druk, terwijl werkgever wist dat werkneemster spanning en stress als gevolg van haar medische aandoening juist moest vermijden, maakt het handelen van werkgever temeer verwijtbaar en is des te onbegrijpelijker omdat de directeur en werkneemster familie zijn. De conclusie kan daarom niet anders zijn dan dat het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding is te wijten aan de gedragingen van werkgever en dat werkgever daarmee ernstig verwijtbaar jegens werkneemster heeft gehandeld. Mede gelet op de aard en de ernst van het verwijtbaar handelen van werkgever ziet de kantonrechter aanleiding de billijke vergoeding vast te stellen op basis van een schatting van de inkomensschade die werkneemster over een periode van drie jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst naar redelijke verwachting zal ondervinden. Afgerond bedraagt de vergoeding € 15.000 bruto. Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal werkgever in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.