Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 28 februari 2018
ECLI:NL:RBLIM:2018:1882

werknemer/werkgeefster

Vordering achterstallig loon en uitbetaling van overuren wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een deugdelijke feitelijke onderbouwing. De door werknemer bijgehouden urenregistratie acht de kantonrechter weinig geloofwaardig.

Feiten

Werknemer is op 8 november 2004 voor onbepaalde tijd bij werkgeefster in dienst getreden. Werkgeefster heeft gedurende het dienstverband werknemer kosteloos gehuisvest in een drijvende woonunit in de nabijheid van zijn werkplek. Werknemer heeft de Poolse nationaliteit. Werknemer heeft vanaf 15 mei 2015 feitelijk geen werkzaamheden meer voor werkgeefster verricht. Werkgeefster heeft vervolgens de eindafrekening opgemaakt. Partijen verschillen van mening op welke wijze een einde aan hun samenwerking is gekomen en of werknemer recht heeft op uitbetaling van overuren. Werknemer vordert veroordeling van werkgeefster tot betaling van achterstallig loon en uitbetaling van 10.299 overuren over de periode 2011 tot en met 2015.

Oordeel

Geen aanspraak op loonbetalingen

Onvoldoende is gebleken dat de arbeidsovereenkomst door werkgeefster is opgezegd. Zo ontbreekt een schriftelijke bevestiging van de gestelde opzegging en ook uit het handelen van werknemer na 16 mei 2015 blijkt dat hij zich pas bij schrijven van zijn toenmalige gemachtigde d.d. 9 juli 2015 beschikbaar houdt voor het verrichten van zijn werkzaamheden. Zo werknemer al het standpunt huldigt dat hij door werkgeefster is weggestuurd, dan laat zijn houding nadien zien dat hij daarmee kennelijk aanvankelijk heeft ingestemd. Werkgeefster heeft in de contacten met de respectievelijke gemachtigden van werknemer telkens aangegeven dat de arbeidsovereenkomst niet door hem was beëindigd. Voorts heeft werkgeefster nog getracht om met werknemer in gesprek te raken teneinde tot een goed einde van hun arbeidsrelatie te komen, maar werknemer heeft om hem moverende redenen geen gehoor gegeven aan de uitnodiging daartoe. Dit leidt tot de conclusie dat werknemer geheel vrijwillig en op eigen initiatief de arbeidsrelatie heeft beëindigd. Werknemer kan geen aanspraak op loonbetalingen meer maken.

Afwijzing vordering overuren

Gesteld noch gebleken is dat werkgeefster overwerk aan werknemer heeft opgedragen. Evenmin is komen vast te staan dat werkgeefster uitdrukkelijk heeft ingestemd met het maken van overuren. Werkgeefster is zodoende nooit in staat gesteld een deugdelijke administratie te voeren van eventueel overwerk. Uit de processtukken en uit het verhandelde ter zitting ontstaat het beeld dat er weliswaar een hiërarchische verhouding tussen partijen bestond, maar dat er daarnaast ook sprake was van een vriendschappelijke en haast familiaire verstandhouding. In dat kader was werknemer dan ook geheel vrij zijn arbeidstijd naar eigen inzicht in te vullen. Niet gebleken is dat werknemer gehouden werd aan strikte werktijden en dat die werktijden konden variëren. Werknemer heeft daarnaast maandelijks salarisspecificaties ontvangen waarop geen vermelding was te zien van overuren. Vast staat dat werknemer daartegen nimmer heeft geageerd. Uit niets blijkt dat werknemer op welke wijze dan ook tijdig gebruik heeft gemaakt van zijn klachtplicht van artikel 6:89 BW, die – zoals werkgeefster terecht stelt – ook in het arbeidsrecht te gelden heeft. De kantonrechter zal dan ook aan dit deel van het verweer voorbij gaan. De kantonrechter gaat eveneens voorbij aan hetgeen werknemer naar voren heeft gebracht met betrekking tot de registratie van de structureel gemaakte overuren. De kantonrechter kan geen status toekennen aan het schrift dat werknemer ter zitting heeft getoond. Niet gebleken is dat werknemer een dergelijke registratie voerde met medeweten van werkgeefster. Het betreffende schriftje levert naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende begin van bewijs op.