Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 1 maart 2018
ECLI:NL:RBLIM:2018:2029
X/PostNL Pakketten Benelux B.V.
Feiten
Op 1 augustus 2013 hebben PostNL Pakketten Benelux B.V. (hierna: PostNL) en opdrachtnemer X (hierna: X) een pre-contract gesloten. X drijft sinds 1 juli 2013 een eenmanszaak en is werkzaam als zelfstandig koerier in de vervoersbranche. Vanaf 5 augustus 2013 is X uit hoofde van het pre-contract pakketten gaan bezorgen voor PostNL. Daarbij heeft X gebruikgemaakt van een door hem gehuurde bus. Op 9 augustus 2013 heeft X een bedrijfsbus bij Opel geleased. Op de portieren van deze bus staat de handelsnaam en het mobiele nummer van X vermeld. Op 19 augustus 2013 hebben partijen een vervoersovereenkomst gesloten. In juni 2016 heeft PostNL X een nieuwe overeenkomst met nieuwe tariefafspraken aangeboden. Partijen hebben hierover geen overstemming bereikt. Op 3 maart 2017 heeft PostNL de overeenkomst met X opgezegd. X meent thans dat de overeenkomst met PostNL kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst, omdat deze alle kenmerken heeft die artikel 7:610 BW vereist. Volgens werknemer is sprake van een niet rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst, zodat hij recht heeft op een billijke vergoeding. Daarnaast verzoekt werknemer een transitievergoeding.
Oordeel
Partijbedoeling
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit het pre-contract volgt dat partijen niet de intentie hebben gehad dat X als werknemer bij PostNL in dienst zou treden. Verder volgt uit feiten en omstandigheden dat partijen voorafgaand aan het pre-contract niet met elkaar verbonden zijn geweest en dat X voorafgaand aan het sluiten van het pre-contract zijn eenmanszaak op 1 juli 2013 bij de KvK heeft geschreven en bij beslissing van de Belastingdienst van 9 juli 2013 als belastingplichtige is aangemerkt. Voorts is ook van belang dat X per succesvolle stop door PostNL werd betaald en geen vergoeding ontving indien hij als gevolg van ziekte en/of andere verhinderingen niet in staat was pakketten te bezorgen. Met name dit laatste wijkt af van hetgeen partijen bij het sluiten van een arbeidsovereenkomst doorgaans overeenkomen. Met inachtneming van het vorenstaande oordeelt de kantonrechter dat partijen bij het aangaan van het pre-contract en de vervoersovereenkomst niet de intentie hadden dat X krachtens arbeidsovereenkomst bij PostNL in dienst zou treden.
Werkinstructies
Vast is komen te staan dat PostNL eisen heeft gesteld aan het voeren van reclame aan de bus van X en dat bij de bezorging van pakketten een tijdvakindicatie (TVI) werd toegepast, op basis waarvan klanten van PostNL een indicatie krijgen binnen welk tijdvak het pakket zal worden bezorgd. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dergelijke instructies niet verwonderlijk, zodat het onderscheid tussen werknemer en opdrachtnemer in dit verband niet relevant is. De regels zijn gerelateerd aan de aard van de dienst en hebben niet zozeer betrekking op de verhouding tussen werkgever en werknemer. Hierbij is van belang dat X – ondanks de reclame-instructies – de mogelijkheid had reclame voor zijn eigen handelsnaam op zijn bus te voeren (en zulks ook heeft gedaan). Daarnaast is de TVI gebaseerd op de door X gewenste en volgens hem meest optimale wijze. Van een gezagsverhouding tussen partijen is aldus geen sprake.
Persoonlijke arbeidsrelatie
Naar het oordeel van de kantonrechter kwam X grote vrijheid toe om zich al dan niet en door wie dan ook te laten vervangen. In zowel het pre-contract als de vervoersovereenkomst is bepaald dat X niet verplicht is de werkzaamheden zelf uit te voeren. De enige door PostNL gestelde eis is dat zij hieromtrent tijdig geïnformeerd wenst te worden en dat vervangers een VOG moeten kunnen overleggen, over een rijbewijs moeten beschikken en een korte entreetoets moeten afleggen. Deze eisen zijn volgens de kantonrechter objectief en zien niet op de persoon van de vervanger. Volgens de kantonrechter is het derhalve alleszins redelijk dat PostNL deze eisen stelt vanwege de vertrouwelijkheid en veiligheid die bij de bezorging van pakketten is geboden.
VAR-WUO
Op 9 juli 2013 en 8 januari 2014 heeft de Belastingdienst VAR-verklaringen aan X afgegeven. Op de verklaringen staat vermeld dat de voordelen uit de koerierswerkzaamheden worden aangemerkt als winst uit onderneming. Daarnaast blijkt uit de verklaringen dat bij gebruikmaking ervan X voor zijn koerierswerkzaamheden niet is verzekerd voor werknemersverzekeringen. Ook staat vast dat X in 2015 en 2016 voor zijn onderneming een jaarrekening heeft laten opstellen, btw afdroeg, reclamekosten opvoerde, inkomstenbelasting betaalde over winst uit onderneming én profiteerde van fiscale voordelen die gelden voor ondernemers. Naar het oordeel van de kantonrechter bevestigen deze feiten en omstandigheden het beeld dat X zich als zelfstandig ondernemer heeft gedragen, temeer nu hij ook een zakelijke rekening bij de ING-bank aanhield.
Overige omstandigheden
Tussen partijen staat voorts vast dat PostNL in 2015 aan X een aanbod heeft gedaan om – in de toekomst – op grond van een arbeidsovereenkomst bij PostNL in dienst te treden. Dit aanbod is evenwel door X verworpen. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt. Alhoewel de inzet van dit geschil deels ziet op de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen daarvóór al als een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd, is het afwijzen van dit aanbod wel degelijk relevant voor de wijze waarop feitelijk invulling aan de overeenkomst werd gegeven. Het afwijzen van dat aanbod was immers voor X een goed moment om te beseffen dat hij niet in loondienst was bij PostNL (en dat aan zijn keuze voor ondernemerschap risico’s waren verbonden). Gelet op alle hiervoor besproken feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat de rechtsverhouding tussen partijen niet door een arbeidsovereenkomst wordt beheerst. De verzochte billijke vergoeding en transitievergoeding zijn derhalve niet toewijsbaar.