Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 16 februari 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:1886
Werknemer/Find ICT B.V.
Feiten
Werknemer is bij FIND ICT in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst die gold voor de duur van het project bij de opdrachtgever, de Gemeente Den Haag. Partijen hebben de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst is aangegaan vastgelegd in een contract. Hierin is een concurrentbeding opgenomen. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 31 december 2017 beƫindigd. Bij brief van 22 december 2017 is namens werknemer aan FIND ICT gemeld dat het overeengekomen concurrentiebeding niet voldoet aan de wettelijke vereisten en daarom niet geldig is en is verzocht kenbaar te maken dat FIND ICT het concurrentiebeding jegens werknemer niet zal handhaven en het hem vrijstaat werkzaamheden voor de Gemeente Den Haag te verrichten.
Werknemer vordert, kort samengevat, vernietiging van het concurrentbeding en te bepalen dat het hem is toegestaan werkzaamheden te verrichten in dienstbetrekking bij de Gemeente Den Haag.
Oordeel
Uit artikel 7:653 BW volgt dat aan de totstandkoming van een rechtsgeldig concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de voorwaarde is gesteld dat bij dat beding de schriftelijke motivering van de werkgever als bedoeld in dat artikel 7:653 lid 2 BW moet zijn opgenomen. Een dergelijke motivering ontbreekt in het tussen partijen geldende contract. Dat brengt de kantonrechter in deze procedure tot de conclusie dat tussen partijen geen rechtsgeldig concurrentiebeding is overeengekomen. Het concurrentiebeding is nietig. Omdat het concurrentiebeding nietig is, kan dat beding niet vernietigd worden of anderszins buiten werking worden gesteld, teneinde werknemer in staat te stellen om bij de Gemeente Den Haag in dienst te treden. Hoewel FIND ICT werknemer niet kan houden aan het overeengekomen beding is niet aannemelijk dat het concurrentiebeding in een bodemprocedure wordt vernietigd. In zoverre is de vordering van werknemer niet toewijsbaar. Het verzoek te bepalen dat het werknemer is toegestaan werkzaamheden te verrichten in dienstbetrekking bij de Gemeente Den Haag, begrijpt de kantonrechter als een vordering tot een verklaring voor recht. Een dergelijke vordering is naar zijn aard niet voorlopig en kan daarom niet worden toegewezen in kort geding.