Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 maart 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:2013
X/Stichting Regionale Omroep Rotterdam-Rijnmond EO
Feiten
X is per 11 februari 2008 bij Stichting Regionale Omroep Rotterdam-Rijnmond EO (hierna: RTV Rijnmond) gaan werken als radioverslaggever. Hij heeft daarbij gekozen om als freelancer te werken in plaats van op basis van een payrollconstructie tegen een bepaald uurtarief dat jaarlijks steeg. Op 6 maart 2013 hebben partijen hun handtekeningen onder een schriftelijke overeenkomst gezet, die de titel ‘overeenkomst van opdracht’ draagt. In oktober 2017 zijn partijen met elkaar in discussie getreden over het antwoord op de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht bestond. Bij e-mail van 13 oktober 2017 heeft RTV Rijnmond aan X laten weten dat zij niet langer gebruik wenst te maken van zijn diensten en derhalve de overeenkomst van opdracht wenst te beëindigen. Werknemer verzoekt thans een verklaring voor recht dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, die in strijd met de daarvoor geldende opzegtermijn is opgezegd.
Oordeel
Kwalificatie: partijbedoeling
De kantonrechter stelt voorop dat RTV Rijnmond ten tijde van het aangaan van de samenwerking geenszins de bedoeling had met X een arbeidsovereenkomst te sluiten. Dit is eveneens aan X medegedeeld en in het verlengde daarvan is hem zelfs de keuze voorgelegd tussen het werken op freelancebasis dan wel op basis van een payrollconstructie. Daarnaast heeft X op zitting verklaard dat hij tijdens de sollicitatieprocedure te horen heeft gekregen dat RTV Rijnmond geen mensen meer in dienst wilde nemen en dat er dus geen optie was om een arbeidsovereenkomst te sluiten. Ook in de tekst van de overeenkomst die door beide partijen is ondertekend, ziet de kantonrechter geen aanknopingspunten waaruit afgeleid zou kunnen worden dat partijen met elkaar een arbeidsovereenkomst hebben willen sluiten.
Kwalificatie: feitelijke uitvoering
De kantonrechter oordeelt als volgt. Hoewel RTV Rijnmond feitelijk de enige opdrachtgever van X was en deze laatste structureel voor RTV Rijnmond werkte, stond het hem – blijkens de tekst van de overeenkomst en de praktijk – vrij om overeenkomsten met andere opdrachtgevers aan te gaan en de uitvoering van de opdracht naar eigen inzicht in te richten. Zo mocht X zelf bepalen wanneer hij vrij nam en ontving hij louter een vergoeding voor daadwerkelijk gewerkte uren nadat hij deze uren door middel van facturen had gedeclareerd. Verder heeft RTV Rijnmond geen werknemersverzekeringspremies op het loon van X ingehouden en kreeg hij een hoger uurloon dan werknemers van RTV Rijnmond. Ook wordt betekenis toegekend aan de omstandigheid dat X bij aanvang van de samenwerking een ‘Verklaring Arbeidsrelatie winst uit onderneming’ aanvroeg (en verkreeg) bij de Belastingdienst, hetgeen impliceert dat X als zelfstandig ondernemer werkte. Voorts wordt door de kantonrechter opgemerkt dat X geen uitlatingen heeft gedaan over de wijze waarop hij gedurende de betreffende jaren in de aangiftes inkomstenbelasting zijn inkomsten uit hoofde van zijn werkzaamheden heeft vermeld. Gelet op al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat de voor het bestaan van de arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding ontbreekt.