Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 22 maart 2018
ECLI:NL:RBNHO:2018:2316
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werkgeefster is een koeriersbedrijf, waarvan de werkzaamheden bestaan uit de verhuur en het ter beschikking stellen van (vrachtwagen)chauffeurs. Werknemer is op 16 juni 2017 in dienst getreden bij werkgeefster, laatstelijk in de functie van chauffeur. Partijen hebben een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht op afroepbasis gesloten voor de duur van twaalf maanden. Werknemer heeft vanaf 27 september 2017 geen werkzaamheden meer verricht bij werkgeefster. Op 6 oktober 2017 heeft werkgever de eindafrekening per bankbetaling voldaan aan werknemer. Bij brief van 15 november 2017 heeft de gemachtigde van werknemer aangekondigd een rechterlijke procedure te starten waarin vernietiging van het ontslag alsmede loondoorbetaling zou worden gevorderd. Voorts heeft de gemachtigde aangegeven dat werknemer zich, voor zover zijn ziekte dit toeliet, beschikbaar hield voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Werknemer verzoekt primair de opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkgeefster te vernietigen, en subsidiair om ten laste van werkgeefster een billijke vergoeding toe te kennen.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat werknemer niet op staande voet is ontslagen door werkgeefster. Aldus bestaat er geen grondslag voor de vordering tot vernietiging en zal deze vordering worden afgewezen. In beginsel betekent dit dat de arbeidsovereenkomst ook na 28 september 2017 gewoon is blijven bestaan. In het kader van de loonvordering is bij wijze van verweer door werkgeefster echter aangevoerd dat werknemer zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in een telefoongesprek van 28 september 2017 en dat reeds daarom geen loonbetalingsverplichting bestaat. De bewijslast dat werknemer vrijwillig de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, rust op werkgeefster. Nu geen bewijsaanbod is gedaan door werkgeefster en de kantonrechter geen aanleiding ziet ambtshalve bewijs op te dragen en tot het gelasten van een getuigenverhoor over te gaan, zal werkgeefster niet in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren voor haar stelling dat werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Aldus gaat de kantonrechter uit van het (voort)bestaan van de arbeidsovereenkomst. Vervolgens dient de vraag zich aan of werknemer recht had op betaling van zijn loon vanaf 28 september 2017. Vast staat dat werknemer per die datum geen werkzaamheden meer heeft verricht. In beginsel bestaat dan ook geen recht op doorbetaling van loon. Evenwel heeft werknemer gesteld dat hij vanaf 27 september 2017 arbeidsongeschikt was en aldus recht heeft op doorbetaling van het loon tijdens ziekte. Nog daargelaten of voldoende vast is komen te staan dat werknemer zich daadwerkelijk ziek heeft gemeld, stelt de kantonrechter vast dat door werknemer geen verklaring is overgelegd van een door het UWV benoemde deskundige ten aanzien van de (gestelde) arbeidsongeschiktheid. In artikel 7:629a lid 1 BW is bepaald dat de rechter de loonvordering bij het ontbreken van een dergelijke verklaring afwijst. Dit is ingevolge artikel 7:629a lid 2 BW alleen anders wanneer de arbeidsongeschiktheid niet wordt betwist door de werkgever of wanneer het overleggen van een dergelijke verklaring in redelijkheid van de werknemer niet kan worden gevergd. Werkgeefster heeft betwist dat sprake is van arbeidsongeschiktheid aan de kant van werknemer. Desgevraagd heeft werknemer tijdens de mondelinge behandeling niet aan kunnen geven waarom hij geen verklaring van een deskundige heeft overgelegd. Aldus is gesteld noch gebleken dat zich een van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 7:629a lid 2 BW voordoet, zodat de kantonrechter de loonvordering afwijst. Het subsidiaire verzoek tot het toekennen van een billijke vergoeding zal ook worden afgewezen nu daarvoor geen grondslag bestaat.