Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 23 maart 2018
ECLI:NL:RBNHO:2018:2654
werkgeefster/werknemer
Feiten
Werknemer is op 9 juni 2014 bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van medewerker bediening/barman. Bij een grote brand in de nacht van 18 april 2016 is het pand waarin werkgeefster haar onderneming exploiteert dermate beschadigd, dat het pand onbruikbaar is geworden. De brandverzekeraar van werkgeefster, ASR, weigert om een uitkering te betalen. Werknemer krijgt sinds begin 2017 geen loon meer en ook de arbodienst kan niet meer worden betaald, waardoor er niets aan re-integratie wordt gedaan. Werknemer is arbeidsongeschikt. Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op basis van de h-grond. Werknemer voert aan dat hij in beginsel in dienst wil blijven, loon wil ontvangen en wil werken aan zijn re-integratie. Aan de andere kant ziet hij in dat zijn re-integratie wordt belemmerd en dat hij dus mogelijk belang heeft bij een einde van de arbeidsovereenkomst. Voor het geval de arbeidsovereenkomst mocht worden ontbonden maakt werknemer aanspraak op achterstallig loon en op de transitievergoeding.
Oordeel
Nu aan de hand van het verweer van werknemer niet kan worden vastgesteld dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst in zijn belang zou zijn, is de kantonrechter van oordeel dat van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de h-grond geen sprake kan zijn. Omdat niet kan worden vastgesteld dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst in het belang van werknemer is, moet worden vastgesteld dat het verzoek van werkgeefster in feite gegrond is op het vervallen van de arbeidsplaats van werknemer als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, dan wel het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van de arbeidsplaats van werknemer als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering in de zin van artikel 7:669 lid 3 onderdeel a BW. Gelet op artikel 7:671a lid 1 BW in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW moet werkgeefster voor een ontslag op die grond (eerst) toestemming vragen aan het UWV. Dat is niet gebeurd. Hierom is het verzoek niet-ontvankelijk.