Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 11 april 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:1479
werknemer/Brocacef Groep N.V.
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2002 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) Mediq Farma B.V. (hierna: Mediq), een farmaceutische groothandelsorganisatie. Vanaf 1 april 2009 vervult werknemer de buitendienstfunctie van Adviseur Ketenlogistiek. In artikel 18 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat aan werknemer een auto ter beschikking wordt gesteld met een cataloguswaarde tussen € 35.000 en € 45.000 (categorie 3). In juli 2016 heeft Brocacef Groep N.V. (hierna: Brocacef) Mediq door middel van een aandelentransactie overgenomen. Teneinde harmonisatie van arbeidsvoorwaarden te realiseren en kosten terug te dringen heeft Brocacef per 1 september 2016 een nieuwe uniforme autoregeling ingevoerd. Hierdoor ging het personeel van Mediq van categorie 3 naar categorie 5, zijnde een auto met een cataloguswaarde van maximaal € 25.000. Werknemer heeft niet ingestemd met de nieuwe autoregeling en vordert dat Brocacef wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal eindigen, aan hem een leaseauto in categorie 3 ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst geen eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW is opgenomen, zodat de vraag of Brocacef gerechtigd was de autoregeling eenzijdig te wijzigen moet worden beantwoord aan de hand van de Stoof/Mammoet-criteria. De kantonrechter overweegt in dit verband dat een streven naar harmonisatie en bezuiniging onder omstandigheden een eenzijdige wijziging kan rechtvaardigen en dat een en ander afhankelijk is van een zorgvuldige afweging van de bij de wijziging betrokken belangen.
Belangenafweging
Het belang van Brocacef dat harmonisatie als een versobering van de eerdere autoregeling is vormgegeven en derhalve tot kostenbesparing leidt, moet worden afgewogen tegen het belang dat werknemer heeft bij het ongewijzigd blijven van zijn recht op een leaseauto in categorie 3. Volgens Brocacef gaat het om een wagenpark van 600 leaseauto’s en is de totale besparing jaarlijks € 216.000. De kantonrechter oordeelt evenwel dat Brocacef zich niet heeft uitgelaten over het aantal werknemers dat zich – net als werknemer in kwestie – niet heeft kunnen verenigen met de nieuwe autoregeling, zodat daarmee ongewis is welke precedentwerking de uitkomst van het onderhavige geding zal hebben. De besparing die Brocacef met wijziging van de autoregeling in het geval van werknemer kan realiseren, bedraagt niet meer dan € 280 aan leasekosten per maand. Tegenover dit financiële belang van Brocacef staat het belang van werknemer om te kunnen blijven rijden in een duurdere, comfortabelere en veiligere auto. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit een zwaarwegend belang, omdat (1) werknemer 60.000 kilometer in zijn bedrijfsauto pleegt te rijden en daardoor veel tijd in de auto doorbrengt en (2) het een feit van algemene bekendheid is dat het rijden van lange afstanden het nodige van de autobestuurder vergt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft aldus te gelden dat een auto uit categorie 3 werknemer meer comfort, veiligheid en technologische verbeteringen biedt dan een auto uit categorie 5. Voor werknemer is de teruggang in leasecategorie dan ook, gezien de aard van zijn functie en het belang dat aan de auto als werkplek toekomt, zodanig ingrijpend, dat daartegenover het belang van Brocacef moet wijken.