Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 maart 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:2958
werkneemster/Zorgvervoercentrale Nederland B.V.
Feiten
Werkneemster is op 1 september 2003 in dienst getreden van Zorgvervoercentrale Nederland B.V. (hierna: ZCN) in de functie van telefoniste. Op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is de Cao Taxivervoer (hierna: de cao) van toepassing. Medio 2016 is de concessie WMO-vervoer Nieuwe Waterweg Noord van ZCN naar Connexxion Taxiservices (hierna: CTS) overgegaan. Op 22 juli 2016 heeft de Kantonrechter Rotterdam geoordeeld dat CTS de werknemers van ZCN had overgenomen. Op 19 oktober 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de kantonrechter vernietigd en geoordeeld dat geen sprake was van overgang van onderneming. In een kortgedingprocedure van 2 maart 2017 heeft een aantal werknemers van ZCN, onder wie werkneemster, zowel ZCN als CTS gedagvaard en betaling van loon over de periode 1 augustus tot en met 31 oktober 2016 gevorderd. Partijen hebben op zitting een minnelijke regeling getroffen. Deze regeling is vastgelegd in een proces-verbaal, waarin onder meer staat opgenomen dat ZCN als werkgever aan werknemers salaris over de periode 1 oktober tot 19 oktober 2016 diende te betalen. Werkneemster heeft over de periode 1 augustus tot en met 19 oktober 2016 werkzaamheden voor CTS verricht en loonbetaling ontvangen van CTS. Op 1 april 2017 is de arbeidsovereenkomst van werkneemster via een vaststellingsovereenkomst beëindigd. In laatstgenoemde overeenkomst is opgenomen dat ZCN het loon van werkneemster zou doorbetalen tot het einde van het dienstverband en dat werkneemster tot dat moment vakantiegeld en vakantiedagen zou blijven opbouwen en gebruik zou blijven maken van andere arbeidsvoorwaarden. De overeenkomst bevat eveneens een finalekwijtingsbeding. Werkneemster stelt thans dat zij voor haar werkzaamheden voor CTS wel loon heeft ontvangen, maar geen vakantietoeslag. Daarnaast meent zij dat ZCN een te laag bedrag aan niet-genoten vakantiedagen heeft uitbetaald. Voorts maakt werkneemster aanspraak op de onregelmatigheidstoeslag voor gewerkte inconveniënte uren.
Oordeel
Vaststellingsovereenkomst
ZCN voert aan dat werkneemster met ondertekening van het proces-verbaal van 30 maart 2017 aan ZCN finale kwijting heeft verleend voor het loon voor de periode van 1 augustus tot 31 oktober 2016, omdat daarin een reactietermijn is geboden van één week en werkneemster niets van zich heeft laten horen. De kantonrechter volgt ZCN hierin niet, omdat in de dagvaarding van 2 maart 2017 slechts melding is gemaakt van betaling van loon, en niet van vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkneemster op dit punt dan ook geen finale kwijting verleend.
Vakantietoeslag en niet-genoten vakantiedagen
Vast staat dat werkneemster over de periode 1 augustus tot en met 19 oktober 2016 werkzaamheden voor CTS heeft verricht en dat zij met betrekking tot de periode augustus en september 2016 loon van CTS heeft ontvangen. ZCN heeft het loon betaald over de periode 1 t/m 19 oktober 2016. Over vakantiegeld en opbouw van vakantiedagen over augustus en september 2016 hebben CTS en ZCN geen afspraken gemaakt. Een redelijke uitleg van de getroffen regelingen brengt volgens de kantonrechter met zich dat ZCN steeds werkgever van werkneemster is gebleven, nu het hof heeft geoordeeld dat van overgang van onderneming geen sprake was. Werkneemster heeft dan ook recht op uitbetaling van vakantietoeslag over de maanden augustus en september 2016. De omstandigheid dat CTS over deze periode loon aan werkneemster heeft betaald, maakt dit oordeel niet anders.
Onregelmatigheidstoeslag
ZCN stelt zich op het standpunt dat zij geen ORT-toeslag over de periode 1 januari 2017 tot en met 1 april 2017 aan werkneemster is verschuldigd. In dit verband voert ZCN aan dat de ORT-toeslag was komen te vervallen en dat is geprobeerd het negatieve effect daarvan op het salaris van werkneemster zo veel mogelijk op te heffen door een compensatieregeling. Verder voert ZCN aan dat deze regeling vanaf het begin is geaccepteerd door alle werknemers, onder wie werkneemster. Nu werkneemster het vorenstaande niet (gemotiveerd) heeft betwist, wordt als vaststaand aangenomen dat partijen geen ORT-regeling maar een compensatieregeling zijn overeengekomen. Nu vaststaat dat werkneemster in de periode augustus tot december 2016 in dienst was bij ZCN en heeft gewerkt, maakt zij aanspraak op de compensatieregeling over die periode.