Rechtspraak
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werkneemster treedt op 1 augustus 2012 in dienst bij X BV. Daarvoor is zij bij X Bedrijf in dienst geweest. Met ingang van 30 juli 2012 is zij meerderheidsaandeelhouder geworden van X BV. Met de heer X heeft werkneemster tot eind 2016 een affectieve relatie gehad. In de maanden volgend op het einde van de relatie zijn de verhoudingen tussen partijen verslechterd. Zij wordt vanaf 27 maart 2017 vrijgesteld van werk onder betaling van loon. In het kader van de beëindiging is getracht een overeenkomst tot stand te brengen, maar tot overeenstemming heeft dit niet geleid. Werkneemster verricht per 1 september 2017 werkzaamheden in een restaurant. X BV ontslaat werkneemster vervolgens op staande voet omdat zij (1) de website van X BV onrechtmatig heeft verwijderd, (2) frauduleus heeft gehandeld bij de aanvraag van een bankpas van X en (3) langdurig nevenwerkzaamheden verricht zonder toestemming of medeweten van X BV, waarmee zij in strijd handelt met haar arbeidsovereenkomst. Werkgeefster berust in de opzegging, maar eist betaling van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding. Volgens haar is de arbeidsovereenkomst namelijk niet rechtsgeldig tot een einde gekomen, omdat een dringende reden ontbreekt.
Oordeel
Ontslag op staande voet
Werkneemster heeft gemotiveerd betwist dat zij betrokken is bij de onder (1) en (2) genoemde handelingen. Dit is door X BV niet weerlegd, zodat op die gronden geen sprake kan zijn van een dringende reden. De bepaling omtrent de nevenwerkzaamheden is destijds overeengekomen met X bedrijf. De arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en X BV bevat echter geen bepaling ten aanzien van het verrichten van nevenwerkzaamheden. X BV betwist dat die arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, omdat zij die niet heeft getekend. Volgens haar zouden de werkzaamheden van werkneemster onder dezelfde condities als bij X bedrijf bij X BV worden voortgezet. X BV heeft hier echter geen bewijs voor ingebracht, zodat het verweer wordt gepasseerd. Uitgangspunt is daarom dat een arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en X BV tot stand is gekomen, zonder bepaling ten aanzien van nevenwerkzaamheden. Desalniettemin kan het verrichten van nevenwerkzaamheden een dringende reden vormen. Dit kan zich voordoen indien deze nevenwerkzaamheden zodanig zijn dat zij het verrichten van de bedongen werkzaamheden nadelig beïnvloeden, of concurrerend zijn met de activiteiten van de werkgever. Vast staat dat werkneemster vanaf 1 september 2017 werkzaam was in een restaurant. Het is niet gebleken dat de belangen van X BV hierdoor zijn geschaad. Daarbij geldt dat werkneemster reeds geruime tijd was vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden bij X BV en dat afdoende is gebleken dat het de bedoeling van X BV was om werkneemster niet meer te laten terugkeren op de werkvloer en de arbeidsovereenkomst met haar te beëindigen. Er is geen rechtsgeldige dringende reden.
Vergoedingen
De rechtsgrond voor toewijzing van de billijke vergoeding volgt reeds uit het niet-rechtsgeldige ontslag op staande voet. Bij berekening van die vergoeding moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. X BV heeft, naast het niet-rechtsgeldige ontslag op staande voet, eveneens ernstig verwijtbaar gehandeld door het ontslag op staande voet slechts te gebruiken om de impasse te doorbreken die was ontstaan omtrent het overdragen van de aandelen van werkneemster. Vanwege de verslechterde situatie die was ontstaan zou de arbeidsovereenkomst echter niet lang meer hebben voortgeduurd. Daarbij is sprake van een beperkte arbeidsomvang (acht uur per week) en is X BV een kleine onderneming. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op € 2.500. Ook is X BV gehouden de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding te betalen.