Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 26 april 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:1786
Vereniging werkgevers openbaar vervoer c.s./Federatie Nederlandse Vakbeweging c.s.
Feiten
Sinds het najaar van 2017 hebben VWOV en FNV en CNV overleg gevoerd over het afsluiten van een nieuwe cao voor het Openbaar Vervoer met als beoogde ingangsdatum 1 januari 2018. Op 12 januari 2018 hebben VWOV en FNV en CNV het cao-overleg hervat en op 15 januari 2018 hebben zij een onderhandelingsresultaat bereikt, dat door hen allen voor akkoord is ondertekend. FNV en CNV hebben daarbij uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat hun achterban met dit resultaat akkoord moest gaan. Op 9 maart 2018 heeft zowel FNV als CNV schriftelijk aan VWOV laten weten dat hun achterban niet akkoord is met het onderhandelingsresultaat. Op 18 april 2018 liet CNV aan VWOV weten dat zij zich op haar eerdere ultimatum beroept en dat wanneer VWOV niet vóór 26 april 2018 schriftelijk laat weten dat zij integraal aan de eisen in het ultimatum gehoor zal geven, er acties volgen, te beginnen met een landelijke 48-uurstaking op 30 april en 1 mei 2018 en daarna mogelijk gevolgd met onder meer estafettestakingen per concessie of stalling. Op 22 april 2018 heeft VWOV CNV een tegenvoorstel gedaan met betrekking tot de tekst voor een afspraak over beheersing van de werkdruk. Op 23 april 2018 heeft CNV aan VWOV laten weten dat dit tegenvoorstel niet acceptabel is, dat zij constateert dat VWOV nog steeds geen concreet voorstel heeft gedaan met betrekking tot een nieuw loonbod en de fasering daarvan en dat zij bij haar standpunt blijft dat partijen zijn uitonderhandeld.
Oordeel
VWOV stelt zich op het standpunt dat er op 30 april en 1 mei aanstaande niet gestaakt mag worden, onder meer omdat de aangekondigde staking volgens haar niet onder het bereik van artikel 6 aanhef en onder 4 ESH valt, omdat er volgens haar geen sprake is van een collectieve actie in de zin van dit artikel. De voorzieningenrechter volgt VWOV niet in dit door FNV en CNV betwiste standpunt. Acties zoals door FNV en CNV nu aangekondigd kunnen bijdragen aan de collectieve onderhandelingen en aan het totstandkomen van een evenwichtig akkoord, ook als verder overleg nog mogelijk is. Het argument dat VWOV hierbij aanvoert, ziet in feite niet zozeer op de vraag of de staking kan bijdragen aan een onderhandelingsresultaat, maar veeleer of niet te vroeg naar het middel is gegrepen. Dat speelt geen rol bij de vraag of sprake is van een actie als bedoeld in artikel 6 ESH. De aangekondigde staking valt dus onder het bereik van artikel 6 aanhef en onder 4 ESH. Als uitgangspunt geldt dan ook dat er gestaakt mag worden. VWOV stelt zich op het standpunt dat de aangekondigde staking toch onrechtmatig is, reeds omdat niet is voldaan aan de ‘ultimum remedium’-toets. De voorzieningenrechter volgt VWOV daarin niet. De jurisprudentie van het Hof van Justitie betekent niet dat in deze zaak de vrijheid van vestiging in het geding is en dat daarom een strengere toets moet worden aangelegd. VWOV stelt dat de aangekondigde staking op grond van artikel G ESH moet worden verboden. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan VWOV is om in deze procedure aannemelijk te maken dat een verbod naar de maatstaf van artikel G ESH gerechtvaardigd is. Dit is slechts het geval wanneer beperkingen van het recht op collectieve actie maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat VWOV niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat het verbieden van de aangekondigde staking maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is. VWOV voert verder aan dat de aangekondigde staking moet worden verboden omdat dit tot nadelige gevolgen voor met name de reizigers, juist in de meivakantie, zal leiden. De aangekondigde staking zal zeker hinder voor veel reizigers veroorzaken, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk dat die hinder zo groot zal zijn dat een verbod of een beperking op zijn plaats is. De slotsom is dat de aangevoerde argumenten niet kunnen leiden tot een verbod van de staking of een beperking daarvan. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.