Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 8 mei 2018
ECLI:NL:RBNNE:2018:1868
werknemer/Stichting Pensioenfonds PostNL
Feiten
Werknemer X is op 24 december 1964 in dienst getreden bij het toenmalige Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (hierna: "PTT"), een rechtsvoorganger van de naamloze vennootschap POST NL N.V. (hierna: "POST NL"). Werkneemster Y is op 5 december 1977 eveneens in dienst getreden bij PTT. Op 16 oktober 1984 is werknemer X getrouwd met werkneemster Y. Werknemers hebben na indiensttreding bij PTT en vanwege dat dienstverband met PTT, pensioenaanspraken opgebouwd bij het ABP. Op 1 januari 2015 is werknemer X gestopt met werken bij PostNL, met gebruikmaking van de voor hem geldende VUT-regeling. Op 1 maart 2011 is werkneemster Y gestopt met werken bij PostNL, met gebruikmaking van de voor haar geldende prépensioenregeling. Werknemer X en werkneemster Y zijn bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ook thans nog, onafgebroken gehuwd. Werknemer X en werkneemster Y hebben ieder voor zich ouderdomspensioen aangevraagd bij PF PostNL. Daarbij is navraag gedaan over een eventuele toeslag in verband met de samenloop van de pensioenopbouw bij het ABP, doordat niet alleen werknemer X maar ook werknemer Y pensioenaanspraken hebben opgebouwd. Een dergelijke samenlooptoeslag kan een extra aanspraak geven voor elk samenvallend jaar dat partners gelijktijdig pensioen opbouwden bij het ABP. De samenlooptoeslag strekt tot compensatie voor het gedeelte van het salaris waarover een deelnemer geen pensioen opbouwt als gevolg van de dubbele AOW-korting waarmee partners te maken krijgen die beiden pensioen opbouwden bij het ABP. Bij brief van 21 november 2013 heeft PF PostNL werknemers bericht dat geen recht op een samenlooptoeslag bestaat, omdat het feitelijk opgebouwde pensioen bij PF PostNL hoger is dan de aanspraken die bij het ABP zijn op gebouwd. Tussen partijen is vervolgens in geschil gekomen of uit de toepasselijke pensioenreglementen van PF PostNL volgt dat een recht op betaling van een samenlooptoeslag kan worden afgeleid. Uiteindelijk hebben werknemers PF PostNL in twee afzonderlijke procedures gedagvaard om te verschijnen in een procedure bij de kantonrechter in deze rechtbank.
Oordeel
De ingenomen stelling dat de samenlooptoeslag een zelfstandige pensioenaanspraak betreft, is niet juist. In de (pensioen)reglementen van PF PostNL is hiervoor geen steun te vinden. Voor zover de ABP-wet of het na de privatisering van het ABP daarop gestoelde pensioenreglement van het ABP wel een zelfstandige aanspraak geeft op een samenlooptoeslag, kan die aanspraak niet zonder meer jegens PF PostNL worden ingeroepen. De rechtsverhouding tussen partijen wordt immers beheerst door de (pensioen)reglementen van PF PostNL en die kennen een dergelijk recht niet aan haar deelnemers toe. Voorshands kan worden aangenomen dat PF PostNL wel gehouden is een samenlooptoeslag toe te kennen als de (pensioen)reglementen van PF PostNL de rechten van de deelnemers verkorten doordat in strijd met de Personeelswet niet een gelijkwaardige pensioenvoorziening wordt opgebouwd in relatie tot de opbouw die bij het ABP voor de privatisering heeft plaatsgevonden. In dit concrete geval kan dat niet blijken. Het feitelijk opgebouwde pensioen van werknemers ligt hoger dan het minimumpensioen waar het Overgangsreglement van uitgaat. Dat de opgebouwde pensioenvoorziening wellicht niet gelijk is aan de pensioenvoorziening die zonder privatisering bij het ABP zou zijn opgebouwd, doet aan de gelijkwaardigheid van de beide pensioenvoorzieningen niet af. Op een en ander stuiten de vorderingen af. Voor zover aan de vorderingen mede ten grondslag is gelegd, kort samengevat, dat het niet in de geest en in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever is om te rekenen met een minimumpensioen, stelt de kantonrechter vast dat werknemers deze stelling niet heeft onderbouwd. Dat klemt omdat zonder onderbouwing, in het licht van al wat hiervoor is overwogen over onder meer de Personeelswet, de stellingname onbegrijpelijk is.