Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 17 mei 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:2155
appelant/verweerster
Feiten
Appellant is door de kantonrechter benoemd tot bewindvoerder van de goederen die (zullen) toebehoren aan zijn zoon, rechthebbende. Rechthebbende is meervoudig gehandicapt en heeft daarom begeleiding/verzorging nodig. Verweerster heeft een deel van deze zorg vanaf 1 november 2009 verleend. Appellant als werkgever en verweerster als werkneemster hebben voor het verlenen van deze zorg een “zorgovereenkomst arbeidsovereenkomst” gesloten. Het loon van verweerster werd door appellant gefinancierd uit het persoonsgebonden budget (PGB). Op 23 februari 2017 heeft verweerster aan appellant toestemming gevraagd om op 6 maart 2017 een uur eerder te mogen stoppen met haar werkzaamheden. Appellant heeft dit geweigerd. Vervolgens is een discussie tussen partijen ontstaan waarna verweerster is vertrokken terwijl haar werkdag er nog niet op zat en heeft zij op verzoek van appellant de sleutels van het pand waar zij werkte aan hem overhandigd. Appellant heeft op enig moment daarna een wijzigingsformulier naar de SVB gezonden waarop hij heeft vermeld dat de zorgovereenkomst met verweerster is geëindigd per 1 april 2017. Bij brief van 9 maart 2017 heeft de SVB deze wijziging bevestigd. Bij brief van 31 maart 2017 heeft appellant het standpunt ingenomen dat de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd per 1 april 2017 en verweerster medegedeeld deze brief voor zover nodig als een opzegging van het dienstverband per die datum te beschouwen. In de onderhavige procedure verzocht verweerster veroordeling van appellant tot betaling van het loon over de periode vanaf 23 februari 2017 tot 1 april 2017, een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding van € 5.000,00. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de vorderingen toegewezen. Appellant is hiertegen in hoger beroep gekomen.
Oordeel
Het betoog van appellant komt erop neer dat de verzekerde ingevolge de Wlz en de Zvw aanspraak heeft op zorg en daarvoor nimmer méér verschuldigd kan zijn dan de eigen bijdrage, de inkomensafhankelijke bijdrage en het eigen risico, ook niet aan zijn werknemer/zorgverlener indien hij voor de in deze wetten geregelde zorg een arbeidsovereenkomst met zijn zorgverlener heeft gesloten. Naar het inzicht van het hof is in deze zaak met name de Wlz van belang, omdat het PGB is verleend op grond van art. 3.3.1 Wlz, gebaseerd op een indicatiestelling als bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wlz. Anders dan appellant betoogt volgt uit de Wlz in geen enkel opzicht dat de betalingsverplichtingen van de verzekerde, die kiest voor een PGB, aan zijn werknemer/zorgverlener beperkt zijn tot bedragen of kostensoorten die de verzekerde uit het toegekende PGB kan financieren. Artikel 3.2.5 Wlz regelt slechts in hoeverre de verzekerde de kosten van het PGB zelf in de vorm van een eigen bijdrage moet dragen. Het hof komt tot de slotsom dat onvoldoende is gebleken van omstandigheden waaruit voortvloeit dat toekenning van een transitievergoeding, achterstallig loon of de gefixeerde schadevergoeding aan verweerster naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Hoewel een arbeidsovereenkomst die de zorg ingevolge de Wlz betreft zich in verschillende opzichten onderscheidt van reguliere arbeidsovereenkomsten heeft de wetgever in dit bijzondere karakter geen aanleiding gezien om voor arbeidsovereenkomsten als de onderhavige een generieke uitzondering op de transitievergoedingsregeling of de loondoorbetalingsverplichtingen van de werkgever te maken. Reeds daarom voert het te ver om in algemene zin te oordelen dat toewijzing van die vorderingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.