Naar boven ↑

Rechtspraak

Rolls-Royce Marine Benelux B.V./werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 29 mei 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:4242

Rolls-Royce Marine Benelux B.V./werknemer

Werkgever dient verzoek tot herziening ontbindingsbeschikking wegens bedrog door werknemer (die betrokken is geweest bij omkoping) te laat in, omdat werkgever eerder al met feiten en omstandigheden waaruit bedrog blijkt bekend was.

Feiten

Werknemer is met ingang van 15 februari 2000 in dienst getreden van de rechtsvoorganger van RR MB (Rolls-Royce Energy Systems B.V.). Nadat een ‘klokkenluider’ in december 2012 melding had gemaakt van bepaalde onregelmatigheden, is RR UK een grootschalig (intern) onderzoek gestart, zulks onder auspiciën van het Amerikaanse advocatenkantoor Deveboise & Plimpton (‘D&P’). Eind 2014 heeft RR UK haar gehele energiedivisie aan Siemens overgedragen. Deze verkoop heeft geresulteerd in een overgang van overneming (art. 7:662 BW), op grond waarvan alle collega’s van werknemer van rechtswege in dienst zijn gekomen van Siemens. Op 30 oktober 2015 is de arbeidsovereenkomst van werknemer op verzoek van RR MB ex artikel 7:685 (oud) BW ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 426.387 bruto (correctiefactor 2). Thans verzoekt RR MB herroeping van de beschikking, vanwege de betrokkenheid van werknemer bij omkoping. RR MB stelt dat werknemer bedrog in de zin van artikel 382 Rv heeft gepleegd.

Oordeel

Het moge zo zijn dat, naar werknemer ter mondelinge behandeling ook met zoveel woorden heeft toegegeven door de inmiddels door hem afgelegde ‘guilty plea’, hij in de ontbindingsprocedure in strijd met de waarheid het standpunt heeft betrokken dat hij – kort gezegd – geen betrokkenheid had bij de gestelde omkoping bij het project in Kazachstan en volledige openheid van zaken had gegeven over zijn doen en nalaten, maar eerst moet nu worden beantwoord de vraag of RR MB daarmee niet al (veel) eerder dan drie maanden voordat zij onderhavig verzoek indiende, bekend was. Die termijn gaat niet (steeds) eerst lopen als de ‘bedrogen’ partij in staat is het bedrog overtuigend aan te tonen (zoals hier bijvoorbeeld met de door werknemer afgelegde ‘guilty plea’) maar, anderzijds, ook niet reeds met iedere verdenking van bedrog (zie HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9877). Gegeven dit toetsingskader wordt geoordeeld dat RR MB in deze procedure, gelet ook op hetgeen werknemer in dit verband naar voren heeft gebracht, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd dat hij niet eerder dan drie maanden voordat hij onderhavig verzoek indiende, bekend was geworden (in de zin van art. 383 lid 1 Rv) met feiten en omstandigheden waaruit het door werknemer in de eerder gevoerde ontbindingsprocedure gepleegde bedrog blijkt. Het verzoek van RR MB wordt afgewezen.