Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2001 bij ABS in dienst getreden. Op 27 juni 2005 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van ziekte. Op 11 juni 2007 is werknemer opnieuw arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van ziekte. De bedrijfsarts adviseerde (opnieuw) om de werkplek te laten onderzoeken, met name de thuiswerkplek en de auto. Vervolgens heeft er een werkplekonderzoek plaatsgevonden, waarvan de ergonoom op 28 november 2007 een rapport heeft uitgebracht. Bij beschikking van 15 juli 2009 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 augustus 2009. Bij brief van 12 november 2010 heeft werknemer ABS aansprakelijk gesteld voor door hem geleden schade als gevolg van de slechte arbeidsomstandigheden bij ABS. ABS heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. De kantonrechter van deze rechtbank heeft het verzoek van werknemer tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht toegewezen en uiteindelijk bij beschikking van 15 oktober 2014 prof. dr. Öner tot deskundige benoemd. Werknemer vordert in onderhavige procedure onder meer dat voor recht verklaard wordt dat ABS jegens hem (geheel dan wel gedeeltelijk) aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de bij hem bestaande en door de heer Öner, orthopedisch chirurg, in zijn rapport beschreven klachten, en ABS te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade van € 10.000.
Oordeel
De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of de gezondheidsklachten van werknemer (rug-, nek- en schouderklachten) zijn veroorzaakt in de uitoefening van de werkzaamheden en of de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is. Wanneer deze regel wordt toegepast op de vordering van werknemer betekent dit dat werknemer dient te stellen, en zonodig te bewijzen, dat hij gedurende zijn dienstverband bij ABS is blootgesteld aan voor zijn gezondheid belastende werkomstandigheden en dat hij stelt en aannemelijk maakt dat die blootstelling zijn gezondheidsklachten kan hebben veroorzaakt. Dat de klachten van werknemer (kunnen) zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden bij ABS is niet komen vast te staan. De in het geding gebrachte stukken bieden geen steun en onderbouwing voor dit standpunt van werknemer. Uit het deskundigenrapport van prof. dr. Öner blijkt dat de klachten die werknemer ondervindt zeer vaak voorkomen bij mensen boven de 35 jaar, ongeacht het beroep. De kans op het ontwikkelen van lage rugpijnen en degeneratieve nekpijnen is zeer groot onder de bevolking en is geschat op boven de 80%. Ook zonder enige relatie met zijn werkzaamheden had werknemer dus een hoog risico om deze klachten te ontwikkelen. Daarbij komt dat werknemer een verhoogde kans had om rugpijnen te ontwikkelen door zijn lengte. Een verband tussen de werkomstandigheden en de klachten van werknemer kan Öner niet aannemen. Volgens Öner kunnen de werkomstandigheden hooguit van invloed zijn geweest op de klachten van werknemer. Dit alles leidt tot het oordeel van de kantonrechter dat het verband tussen de gezondheidsklachten van werknemer met betrekking tot zijn rug, nek en schouder en de arbeidsomstandigheden te onbepaald en te onzeker is. Dit betekent dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in dit geval niet van toepassing is en op werknemer de volledige stelplicht en bewijslast rusten. Nu werknemer niet is geslaagd in de op hem rustende stelplicht ten aanzien van het causale verband tussen de arbeidsomstandigheden en zijn gezondheidsschade, komt de kantonrechter niet toe aan een verdere beoordeling van het geschil, te weten of ABS haar zorgplicht heeft geschonden.