Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29 mei 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:1839

werknemer/werkgeefster

Vorderingsrecht nabetaling van cao-dagvergoedingen van buschauffeur onvoldoende onderbouwd. Werkgeefster mocht aan ondertekening van bepaalde formulieren redelijkerwijs de zin toekennen dat werknemer verklaarde dat hij de dagvergoeding van de opdrachtgever van werkgeefster had ontvangen, tenzij hij vermeldde dat dit niet zo was.

Feiten

Werknemer is van 1 mei 2009 tot 1 juni 2015 in loondienst van X geweest. Werknemer heeft in 2012 en 2013 voor X als autobuschauffeur gewerkt tijdens meerdaagse vakantiereizen die waren georganiseerd door Expat Explore Travel Limited te Londen (hierna ‘Expat’). Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de collectieve arbeidsovereenkomst Besloten Busvervoer (hierna ‘de cao’) van toepassing. Artikel 34 van de cao bepaalt dat bij meerdaagse reizen uitgevoerd met reisleider, de chauffeur voor de overige zakelijke kosten recht heeft op een nettovergoeding van € 5,73 per dag. X heeft de genoemde nettovergoeding van € 5,73 per dag niet aan werknemer betaald voor de door Expat georganiseerde meerdaagse reizen in 2012 en 2013. Bij brief van 28 juli 2015 heeft werknemer X aangesproken tot betaling van de nettovergoeding van € 5,73 per dag voor de hierboven bedoelde reizen. Tegen deze achtergrond vordert werknemer onder meer de veroordeling van X tot betaling aan hem van € 1.644,51 netto. X vordert op haar beurt de veroordeling van werknemer tot schadevergoeding op te maken bij staat ten belope van de volledige proceskosten van X wegens misbruik van procesrecht. De kantonrechter heeft de vorderingen van weerszijden afgewezen.

Oordeel

Werknemer heeft ook in hoger beroep het door hem gestelde vorderingsrecht tegenover de betwisting door X niet voldoende onderbouwd. Op de eerste plaats gaat werknemer eraan voorbij dat tussen partijen als onweersproken vaststaat dat de reisleiders van Expat contante betalingen aan hem hebben gedaan. Weliswaar heeft hij gesteld dat het daarbij is gegaan om fooien en commissies, maar hij heeft noch het beloop, noch de samenstelling van de hem door de reisleiders gedane contante betalingen nader toegelicht. Werknemer heeft aldus niet afdoende onderbouwd dat in die betalingen níet mede een nettovergoeding van € 5,73 per dag was begrepen. Die onderbouwing mocht van hem worden verwacht, nu artikel 34 van de cao uitdrukkelijk in de mogelijkheid van betaling van de dagvergoeding door ‘de touroperator, organisator of opdrachtgever van de werkgever’ voorziet, X zich op deze wijze van betaling beroept en vaststaat dat aan werknemer contante betalingen zijn gedaan door reisleiders van (de reisorganisator) Expat. Op de tweede plaats miskent werknemer dat hij na afloop van de meerdaagse reizen steeds een genummerd formulier heeft ondertekend waarvan de laatste zin vóór de handtekening chauffeur luidt: ‘Meerdaagse reizen zijn altijd met reisleiding, uw dagelijkse onkostenvergoeding (CAO) ontvangt u van opdrachtgever’. Dat formulier bevat ruimte voor opmerkingen van de chauffeur. In 2012 en 2013, op welke jaren zijn vordering betrekking heeft, heeft werknemer alleen in oktober 2013 een opmerking geplaatst (namelijk: ‘Geen buitenlandtoeslag ontvangen van tourleader’), waarna X hem het genoemde bedrag heeft betaald. Gelet op de uitdrukkelijke verwijzing naar de (aan de chauffeur toekomende) ‘dagelijkse onkostenvergoeding (CAO)’ en naar de betaling daarvan door de opdrachtgever mocht X aan de ondertekening van de bedoelde formulieren redelijkerwijs de zin toekennen dat deze daarmee verklaarde dat hij de hem toekomende dagvergoeding had ontvangen, tenzij hij vermeldde dat dit níet zo was. De aangehaalde opmerking van werknemer op het formulier vormt een sterke aanwijzing dat hij het ondertekenen van de bedoelde formulieren in dezelfde zin opvatte. Uit de enkele omstandigheid dat de vordering van werknemer wegens het ontbreken van voldoende onderbouwing niet toewijsbaar is, volgt niet dat werknemer misbruik heeft gemaakt van procesrecht. De slotsom uit het bovenstaande is dat het principale en het incidentele beroep beide tevergeefs zijn ingesteld.