Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 12 juni 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:1948
werknemers/Balans Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten B.V. en Constant Dienstverlening B.V.
Feiten
Werkgeefster houdt zich bezig met interieurreiniging van gebouwen en is gevestigd in Sint-Panrcas (Noord-Holland). Werknemer X is tot 15 juni 2016 bij werkgeefster in dienst in de functie van regiomanager. In de beëindigingsovereenkomst is opgenomen dat het non-concurrentie- en relatiebeding in duur beperkt wordt tot de looptijd van een jaar. Werknemer Y treedt op 16 mei 2011 bij werkgeefster in dienst in de functie van officemanager. In de arbeidsovereenkomst zijn een geheimhoudingsbeding, een non-concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen. In maart 2016 vinden gesprekken plaats tussen Y en werkgeefster over de mogelijke overname van een deel van de aandelen in werkgeefster door Y. Deze gesprekken lopen echter stuk. Kort daarna zegt werknemer de arbeidsovereenkomst op tegen 1 november 2016. Op 1 november richten X en Y een vennootschap onder firma op die zich bezighoudt met interieurreiniging van gebouwen. Deze vof is gevestigd in de buurt van werkgeefster. X en Y vorderen schorsing van de non-concurrentiebedingen. De kantonrechter wijst de vorderingen toe in die zin dat het non-concurrentiebedingen in ruimte beperkt worden tot een straal van 25 kilometer vanaf werkgeefster.
Oordeel
Afweging van de wederzijdse belangen van partijen voert het hof tot het voorlopig oordeel dat X en Y onbillijk worden benadeeld door de non-concurrentiebedingen. Het non-concurrentiebeding van X is op 15 oktober 2017 reeds geëindigd, zodat slechts het non-concurrentiebeding van Y nog aan de orde is. Partijen verschillen echter ook van mening of X en Y hun non-concurrentiebedingen hebben overtreden en/of onrechtmatig hebben gehandeld jegens werkgeefster door hun onderneming te vestigen in Ankeveen en personeel te werven voor werkzaamheden te Haarlem. Zowel Y als X heeft daarom reëel belang bij schorsing van de non-concurrentiebedingen. Daartegenover is het belang van werkgeefster bij handhaving van de non-concurrentiebedingen nagenoeg afwezig. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat X en Y bedrijfsvertrouwelijke informatie hebben verkregen en dat werkgeefster in enige mate heeft geïnvesteerd in het opleiden van X en Y. Dat Y persoonlijk contact met klanten van werkgeefster zou hebben gehad, heeft werkgeefster onvoldoende onderbouwd en bovendien is het belang daarvan aanzienlijk afgenomen door het tijdsverloop sinds 1 november 2016. Het benaderen van klanten van werkgeefster valt bovendien onder het bereik van de relatiebedingen. Op wiens initiatief de arbeidsovereenkomsten van X en Y tot een einde zijn gekomen kan gezien het vorenstaande in het midden blijven. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.