Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Indra Ouderenhuisvestiging Midden Nederland
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 20 juni 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:2780

werkneemster/Stichting Indra Ouderenhuisvestiging Midden Nederland

Periode van drie maanden niet representatief voor vaststelling arbeidsomvang. De door werkneemster aangedragen periode betreft de piekweken waarin collega's vakantie hadden of ziek waren. Gekeken wordt naar een periode van zes maanden.

Feiten

Werkneemster heeft op 25 januari 2017 een arbeidsovereenkomst gesloten met Indra. Bij brief van 12 mei 2017 heeft werkneemster de arbeidsovereenkomst met Indra opgezegd tegen 1 juli 2017. Bij brief van 29 mei 2017 heeft werkneemster aan Indra meegedeeld dat zij in de maanden februari, maart en april 2017 gemiddeld 20 uur per week heeft gewerkt, dat zij een beroep doet op het rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 7:610b BW en aanspraak maakt op een aanvulling van haar loon voor de maand mei 2017 tot het bedrag dat hoort bij een gemiddelde van 20 uur per week. Indra antwoordt bij ongedateerde brief dat het aantal door werkneemster in die maanden gewerkte uren geen structurele situatie betreft, omdat het extra werk tijdelijk was en gerelateerd aan het aantal cliënten en uren volgens indicatiebesluit.

Oordeel

Werkneemster legt aan haar vordering ten grondslag dat zij gedurende de drie maanden februari, maart en april 2017 gemiddeld 20 uur per week heeft gewerkt, zodat zij op grond van het rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 7:610b BW over de hele arbeidsovereenkomst recht heeft op loonbetalingen die behoren bij 20 uur per week werken. Werkneemster betwist dat zij alleen dan meer dan vier uur per week kon werken als 'het aantal cliënten in verhouding tot het aantal beschikbare medewerkers, dat vereist'. Indra erkent dat werkneemster in de maanden januari tot en met mei 2017 iedere week meer dan vier uur heeft gewerkt. Indra stelt dat zij daarbij duidelijk heeft gemeld aan werkneemster dat alleen meer dan vier uur per week gewerkt kon worden, indien het aantal te verzorgen cliënten, in verhouding tot het aantal beschikbare medewerkers, dat vereiste. Indra stelt daarnaast dat het afhankelijk was van vakanties en ziekte van collega's. Het extra werk was dan ook tijdelijk en niet structureel. De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de door werkneemster overgelegde urenstaten kan worden afgeleid dat werkneemster structureel meer heeft gewerkt dan vier uur per week. Hieruit blijkt echter niet dat dit structureel neerkwam op 20 uur per week, zoals werkneemster stelt. De kantonrechter is van oordeel dat de drie door werkneemster gekozen maanden geen representatief beeld van de arbeidsomvang opleveren, nu daarin net een paar piekweken vallen waarin werkneemster meer dan 25 uur per week werkte. Deze piekweken worden door Indra verklaard met de omstandigheid dat er collega's vakantie hadden of ziek waren. De kantonrechter acht een periode van een half jaar representatiever, nu werkneemster bijvoorbeeld in de maanden januari en mei 2017 beduidend minder heeft gewerkt. Indien naar een periode van een half jaar wordt gekeken, dan komt de gemiddelde arbeidsomvang neer op zo'n 15 uur per week. Het voorgaande maakt dat Indra betaling verschuldigd was van gemiddeld 15 uren per week, zijnde het aantal uren dat werkneemster gemiddeld per week werkte. Werkneemster heeft niet betwist dat Indra de door haar gewerkte uren heeft uitbetaald, zodat de vordering van werkneemster zal worden afgewezen.