Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 20 juni 2018
ECLI:NL:RBNNE:2018:2370

werknemer/werkgever

Overbruggingsregeling transitievergoeding: fiscale faciliteit en forfaitair bedrag (bestaande uit loon voor werkgever) mogen op het nettoresultaat van de onderneming in mindering worden gebracht.

Feiten

Werknemer is op 7 september 1992 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) werkgever X (hierna: X), die een eenmanszaak exploiteert. Vanwege bedrijfseconomische redenen heeft X op 19 juni 2017 ten aanzien van werknemer bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend. Op 4 augustus 2017 heeft het UWV aan X toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen. Op 26 juni 2017 heeft X aan het UWV een verklaring gevraagd dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de Overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers. Het UWV heeft bij beslissing van 4 augustus 2017 vastgesteld dat X aan die voorwaarden voldoet. Vervolgens is aan werknemer een transitievergoeding van 4.322,85 euro betaald. Werknemer verzoekt thans voor recht te verklaren dat het UWV ten onrechte heeft beslist dat X onder de Overbruggingsregeling transitievergoeding valt alsmede X te veroordelen tot betaling van 30.800,32 euro vanwege restant transitievergoeding.

Oordeel

Artikel 24 Ontslagregeling

De kantonrechter stelt voorop dat het verschil van mening tussen partijen zich toespitst op twee aspecten die samenhangen met de in artikel 24 Ontslagregeling gestelde voorwaarden. Hierbij gaat het om het antwoord op de vraag of het nettoresultaat van de onderneming van X naar beneden mag worden bijgesteld door (1) willekeurige afschrijvingen en (2) een forfaitair bedrag, bestaande uit loon voor X.

Willekeurige afschrijving

Volgens werknemer heeft X het in artikel 7:673c BW neergelegde criterium gemanipuleerd door over de jaren 2014 en 2015 een willekeurige afschrijving toe te passen. Werknemer stelt dan ook dat X aldus het resultaat van een boekjaar achteraf heeft beïnvloed en vertroebeld, omdat het resultaat over de voornoemde jaren door toepassing van de afschrijving lager uitvalt dan in de situatie waarin normale afschrijving zou hebben plaatsgevonden. De kantonrechter volgt werknemer hierin niet, omdat geconcludeerd kan worden dat de gestelde ‘willekeurige afschrijving’ in feite een wettelijk toegestane fiscale faciliteit betreft ten gunste van een startende ondernemer. Ook de door partijen ingeschakelde deskundigen zijn tot eenzelfde conclusie gekomen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat toepassing van de afschrijving binnen het voorwaardenkader van artikel 24 Ontslagregeling valt.

Forfaitair bedrag (loon voor werkgever)

Ook heeft X in de jaren 2014 tot en met 2016 drie privéopnames verricht, welke opnames onder ‘Ondernemingsvermogen’ op de balans tot uitdrukking zijn gebracht. De privéopnames bedragen respectievelijk 18.249, 22.723 en 27.770 euro. Partijen zijn erover verdeeld hoe deze opnames moeten worden beschouwd in verband met het bepaalde in artikel 24 lid 4 Ontslagregeling, en of naast deze opnames nog het fictieve ondernemersloon (ex art. 12a Wet op de loonbelasting 1964) op het resultaat van de onderneming in mindering mag worden gebracht. In de jaren 2014 tot en met 2016 bedroeg dit fictieve ondernemersloon respectievelijk 44.000, 45.000 en 45.000 euro.

De kantonrechter oordeelt hieromtrent als volgt. In artikel 24 lid 4 Ontslagregeling is bepaald dat het nettoresultaat van de onderneming wordt verminderd met een forfaitair bedrag indien in een boekjaar aan de eigenaar geen loon is toegekend. Daarnaast wordt in de toelichting op het voornoemde artikel opgemerkt dat de rechtsvorm van een onderneming met zich kan brengen dat het loon voor de eigenaar niet steeds in het resultaat wordt betrokken (zie Stcrt. 2015, 12685). De door X verrichte opnames staan vermeld op de balans en zijn niet ten laste van het resultaat gebracht. Volgens de toelichting wordt in een dergelijk geval de fictie gehanteerd dat de eigenaar zichzelf het forfaitaire bedrag als loon uitkeert. X heeft dit dan ook terecht gedaan (zie ook Rb. Gelderland 26 april 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3229 en AR 2017-0552). Verder blijkt uit de jaarrekeningen van X dat met toepassing van het fictieve ondernemingsloon over de jaren 2014 tot en met 2016 sprake is van een negatief resultaat, zodat voldaan is aan de voorwaarde die is neergelegd in artikel 24 lid 2 onderdeel a Ontslagregeling. Dit leidt tot het oordeel dat de Overbruggingsregeling terecht is toegepast, zodat de verzoeken van werknemer worden afgewezen.