Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Voedselbank Haarlem en omstreken/X
Rechtbank Noord-Holland, 12 juni 2018
ECLI:NL:RBNHO:2018:5118

Stichting Voedselbank Haarlem en omstreken/X

Opdrachtgever had bij het beëindigen van overeenkomst van opdracht een opzegtermijn van één maand in acht moeten nemen en is derhalve schadeplichtig jegens opdrachtnemer.

Feiten

In juni 2016 heeft Stichting Voedselbank Haarlem en omstreken (hierna: De Voedselbank) een vacature opengesteld, waarin zij heeft aangegeven op zoek te zijn naar een bedrijfsleider die bereid is op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden te verrichten. Opdrachtnemer (hierna: X) heeft hierop gereageerd en partijen zijn overeengekomen dat X in beginsel voor de periode van 1 juni 2016 tot en met 31 december 2016 op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden zou gaan verrichten. Ook na 31 december 2016 hebben partijen hun samenwerking voortgezet, maar in dit verband is niets afgesproken over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst van opdracht na 31 december 2016. Evenmin hebben zij gesproken over de kwalificatie van de overeenkomst na voornoemde datum. Op 31 januari 2018 heeft De Voedselbank aan X medegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang uit van zijn taken is ontheven en zij de overeenkomst met ingang van 1 februari 2018 als beëindigd beschouwt. Als reden wordt aangevoerd dat De Voedselbank niet langer vertrouwen heeft in een toekomstige samenwerking. X stelt zich echter op het standpunt dat hij vanaf 1 januari 2017 voor onbepaalde tijd bij De Voedselbank in dienst is getreden. Hij verzoekt primair vernietiging van de opzegging en subsidiair een verklaring voor recht dat de overeenkomst van opdracht nog steeds voortduurt. Meer subsidiair verzoekt X de kantonrechter om De Voedselbank te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ad € 8.500 vanwege het per direct beëindigen van de overeenkomst van opdracht.

Oordeel

Kwalificatie

De kantonrechter is van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst na 31 december 2016 niet op andersoortige wijze is uitgevoerd dan voor die datum het geval was. Niet is gebleken dat sindsdien sprake is geweest van een verandering in de gezagsverhouding dan wel in de door X te verrichten werkzaamheden. Ook de wijze van facturatie (inclusief BTW) is na die datum onveranderd gebleven. Verder is ook gebleken dat vakantie en ziekte niet werden geregistreerd en X zelf invulling aan zijn werktijden en werkzaamheden mocht geven. De omstandigheid dat X zich aan het beleid en de instructies van De Voedselbank diende te houden en verantwoording van zijn werkzaamheden aan haar moest afleggen, maakt niet dat sprake was van een gezagsverhouding als bedoeld in artikel 7:610 BW. Verder merkt de kantonrechter op dat een overeenkomst van opdracht in de loop der tijd niet geruisloos in een arbeidsovereenkomst kan veranderen, zonder dat partijen daaromtrent nadere afspraken hebben gemaakt en vervolgens ook aan die nadere afspraken uitvoering hebben gegeven. Tot slot blijkt ook uit de e-mailcorrespondentie van november 2017 dat partijen (nog steeds) ervan uitgingen dat hun rechtsverhouding door een overeenkomst van opdracht werd beheerst. Het vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie dat het verzoek tot vernietiging van de opzegging wordt afgewezen.

Opzegging van de overeenkomst van opdracht

X stelt zich op het standpunt dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat De Voedselbank een voldoende zwaarwegende opzeggingsgrond moest hebben. Hiervan is volgens X geen sprake, omdat de aan de opzegging ten grondslag gelegde reden – onvoldoende vertrouwen in toekomstige samenwerking – te algemeen is. De kantonrechter volgt X hierin niet, omdat hij hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat afwijking van artikel 7:408 BW gerechtvaardigd is. De kantonrechter is evenwel van oordeel dat het – mede gelet op de reden van de opzegging, de duur van de overeenkomst, de hoogte van de beloning die X van De Voedselbank ontving en de onweersproken inspanningen die hij voor De Voedselbank heeft verricht – redelijk was geweest indien De Voedselbank een opzegtermijn in acht had genomen. Omdat de wet niet voorziet in regels met betrekking tot het berekenen van een opzegtermijn in een geval als het onderhavige, acht de kantonrechter, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, een opzegtermijn van één maand redelijk en billijk. Een schadevergoeding van € 1.250 wordt toegewezen.