Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 10 juli 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:1680
werknemer/Stichting Antes
Feiten
Werkgeefster is een zorginstelling op het gebied van psychiatrie en verslaving in Rotterdam en omstreken. Werknemer treedt op 15 augustus 2013 voor bepaalde tijd in dienst bij werkgever in de functie van algemeen arts. Werknemer volgt naast zijn werk als algemeen arts sinds 1 januari 2015 een specialistische opleiding tot verslavingsarts. Werknemer wordt na het eerste studiejaar niet toegelaten tot het tweede studiejaar van deze opleiding wegens het niet behalen van bepaalde voorwaarden. Eind 2015 vinden enkele gebeurtenissen plaats op de afdeling waar werknemer werkt. Uit een onderzoek blijkt dat werknemer als arts geen fouten heeft gemaakt. X bekleedt de functie van Hoofd Behandelzaken bij werkgeefster. Zij is daarnaast hoofddocent en hoofdopleider Verslavingsgeneeskunde voor de MiAM-opleiding bij de Radboud Universiteit te Nijmegen. In verband met zijn opleiding tot verslavingsarts heeft werknemer X als hoofddocent gehad. Volgens werknemer is de begeleiding niet goed verlopen, waardoor hij niet aan de voorwaarden kon voldoen. Sindsdien verslechtert de verhouding tussen werknemer en X. Werkgeefster verzoekt om ontbinding op de g-grond. De kantonrechter wijst het verzoek toe.
Oordeel
Verstoorde arbeidsverhouding
Vast staat dat partijen vanaf augustus 2016 hebben geprobeerd de gerezen problemen op te lossen door middel van mediation, hetgeen geen resultaat heeft gehad. Vast staat verder dat werknemer kort na de beëindiging van de mediation een dagvaarding heeft doen betekenen aan werkgeefster. Hierin zet hij onder meer zijn versie van de gang van zaken rond zijn conflict met X uiteen. Hij stelt dat hij zich in zijn eer en goede naam voelt aangerand, en houdt werkgeefster op grond van onrechtmatige daad verantwoordelijk voor de gevolgen van het handelen van X. Het hof is van oordeel dat uit de inhoud van de dagvaarding niet alleen blijkt hoezeer de relatie tussen verzoeker en X is verstoord, maar ook dat een en ander een (negatieve) weerslag heeft gehad op de relatie tussen verzoeker en werkgeefster. Het hof concludeert dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt niet in de rede, gelet op de nog altijd bestaande wens van werknemer om de opleiding tot verslavingsarts te volgen, waarbij hij wederom veelvuldig in contact zal komen met X, en de ernst en duur van het conflict tussen werknemer en X. Het hof wijst vernietiging van de ontbinding af.
Herplaatsing
Het hof gaat vervolgens in op de herplaatsing van werknemer. Werkgeefster heeft werknemer op advies van de bedrijfsarts uitgenodigd voor een gesprek, waarna een vervolggesprek heeft plaatsgevonden waarbij ook X aanwezig was. Het hof is van oordeel dat werkgeefster er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om werknemer niet over te plaatsen naar een andere locatie, maar om te proberen de problemen tussen werknemer en X op te lossen door middel van het voeren van gesprekken en het maken van werkafspraken. Hiermee is zowel X als werknemer akkoord gegaan. Nadat was gebleken dat dit geen oplossing bood, heeft werkgeefster eerst geprobeerd een beëindigingsovereenkomst te sluiten, en vervolgens besloten om een mediationtraject te starten. Dit laatste had de uitdrukkelijke goedkeuring van werknemer. Het hof concludeert dat werkgeefster weliswaar niet is ingegaan op de (herhaalde) verzoeken van werknemer om hem over te plaatsen naar een andere locatie, maar dat zij wel – in samenspraak met werknemer – serieus heeft gezocht naar andere wegen om de problemen op te lossen. Nadien is een situatie ontstaan ten aanzien waarvan het hof heeft geoordeeld dat herplaatsing niet meer in de rede lag.