Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever c.s./werknemer
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 10 juli 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:3000

werkgever c.s./werknemer

Tussenarrest. Vordering tot betaling van overuren. Op de urenregistratie van werknemer wordt het (weerlegbare) vermoeden gebaseerd dat de door werknemer vermelde tijden werktijden waren. Werkgever wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

Feiten

Werknemer is op 4 februari 1979 in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van werkgever. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Slagersbedrijf van toepassing. Werkgever heeft per 1 november 2009 de slagerij waar werknemer werkzaam was overgenomen. Werkgever is niet overgegaan tot uitbetaling van overuren, waarop werknemer hem in rechte heeft betrokken. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 10 februari 2016 overwogen dat werkgever, vanwege de afspraak met werknemer, de overzichten van de overuren van werknemer in beginsel als juist behoort te aanvaarden. Werkgever is opgedragen de door hem gestelde feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit volgt dat werknemer (veel) minder overuren heeft gewerkt dan blijkt uit de door werknemer overgelegde kopieën van zijn agenda. Werkgever heeft in eerste aanleg mevrouw getuige 1 en mevrouw getuige 2, beiden bij hem in dienst als verkoopster, als getuigen laten horen. Werknemer heeft afgezien van het doen horen van getuigen. De kantonrechter heeft in het eindvonnis van 11 mei 2016 werkgever niet in de bewijslevering geslaagd geacht. Werkgever heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd.

Oordeel

Het hof overweegt als volgt. Uit de door werknemer overgelegde kopieën van zijn agenda over de periode van 1 november 2009 tot en met 25 juni 2012 blijkt dat hij in die periode afwisselend 4, 5 of 6 dagen per week heeft gewerkt. Werkgever heeft dit wisselende aantal werkdagen per week niet betwist. Anders dan werkgever heeft betoogd gelden derhalve de uren waarin door werknemer in opdracht van werkgever arbeid is verricht en die uitgaan boven 38 uur per week als overuren. Werkgever heeft erkend dat de winkel geopend was van 08:00 uur tot 18:00 uur. Volgens hem was het aanvangstijdstip van de werkzaamheden van werknemer normaliter 07:30 uur, werkgever was dan zelf ook aanwezig, en kwam het aanvangstijdstip van 07:00 uur slechts voor op vrijdag en/of zaterdag rond de feestdagen. Werknemer verliet de winkel na sluitingstijd om 18:05/18:10 uur, gelijktijdig met andere werknemers. Uit het voorgaande volgt dat werknemer, in het belang van werkgever, gehouden was om (ruim) voor openingstijd van de winkel aanwezig te zijn en dat hij pas na sluitingstijd van de winkel kon vertrekken. Anders dan werkgever heeft betoogd betekent dit dat werknemer in zijn opdracht werkzaamheden heeft moeten verrichten die uitgaan boven 38 uur per week. Het hof stelt voorop dat werknemer het door hem gestelde tegoed aan overuren zal moeten bewijzen als werkgever voldoende gemotiveerd heeft betwist dat aan hem nog overuren toekomen. Naar het oordeel van het hof rustte op werkgever als werkgever de verplichting om de administratie van onder andere de gewerkte (over)uren van werknemer bij te houden. Vast staat dat werkgever dat niet (voldoende) heeft gedaan. Bij gebreke van een urenregistratie aan de kant van werkgever kan op de urenregistratie in de agenda’s van werknemer het (weerlegbare) vermoeden worden gebaseerd dat de door werknemer vermelde tijden werktijden waren (vgl. HR 15 september 2006 ECLI:NL:HR:2006:AX5381). Het verweer van werkgever dat hij niet kon beschikken over gegevens met betrekking tot de overuren omdat werknemer weigerde duidelijkheid daarover te verschaffen wordt verworpen. Werkgever heeft betwist dat op grond van de door werknemer overgelegde kopieën van zijn agenda over de periode van 1 november 2009 tot en met 25 juni 2012 sprake is van 977 overuren. Hij heeft in het kader van de haar opgedragen bewijslevering in eerste aanleg de getuigen getuige 1 en getuige 2 doen horen. Volgens werkgever heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat hij niet heeft bewezen dat werknemer minder overuren heeft gewerkt dan blijkt uit de door hem overgelegde kopieën van zijn agenda. Werkgever heeft in zijn memorie van grieven uitdrukkelijk (nader) bewijs aangeboden, in het bijzonder door het horen van getuigen. Het hof verstaat dit aanbod als een aanbod tot het leveren van (aanvullend) tegenbewijs van zijn verweer dat de urenregistratie van werknemer onjuistheden bevat. Het bewijsaanbod heeft betrekking op de kern van het geschil tussen partijen. Het bewijsaanbod is derhalve ter zake dienend. In afwachting van het te leveren tegenbewijs houdt het hof elke verdere beslissing aan.