Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 10 juli 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:6333

werknemer/Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim

Sprake van overeenkomst van opdracht, niet van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is ook bevoegd in gevallen van artikel 7:658 lid 4 BW. Onderwijsinstelling heeft niet onrechtmatig gehandeld door niet-verlenging overeenkomst van opdracht na opnieuw ontvangen signalen van ongewenst gedrag.

Feiten

Op 20 juli 2012 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst, die als titel draagt 'Overeenkomst van opdracht', bepaalt dat de opdrachtnemer, die de overeenkomst namens zijn eenmanszaak is aangegaan, gedurende de periode 1 augustus 2012 tot 1 februari 2013 werkzaamheden voor Windesheim verricht, bestaande uit het verzorgen van onderwijs. Op 14 januari 2013 vond een gesprek tussen betrokkenen plaats. Volgens ‘B’ waren er nieuwe signalen binnengekomen. Ten minste drie vrouwelijke studenten zouden zich niet veilig hebben gevoeld in de nabijheid van werknemer. ‘B’ heeft aan het eind van dat gesprek meegedeeld 'het risico van grensoverschrijdend gedrag te groot' te vinden om de overeenkomst met werknemer voort te zetten. Opdrachtnemer heeft in eerste aanleg primair gevorderd een verklaring voor recht dat de arbeidsrelatie tussen partijen gekwalificeerd moet worden als een arbeidsovereenkomst en dat Windesheim aansprakelijk is voor de schade welke werknemer heeft geleden wegens het niet voldoen aan de verplichtingen ex artikel 7:658 BW, althans wegens het handelen in strijd met de normen van goed werkgeverschap. De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 december 2014 geoordeeld dat sprake is van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst met als gevolg dat niet de kantonrechter maar de handelskamer van de Rechtbank Overijssel bevoegd is van de zaak kennis te nemen. Op grond daarvan heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar die handelskamer. Bij vonnis van 25 november 2015 heeft (de handelskamer van) de rechtbank de vorderingen van werknemer vervolgens afgewezen. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.

Oordeel

Partijen hebben hun overeenkomst uitdrukkelijk als een overeenkomst van opdracht aangemerkt, hebben als opdrachtnemer aangemerkt niet appellant maar diens eenmanszaak, zijn overeengekomen dat op basis van de afgesproken tarieven wordt gefactureerd door de eenmanszaak, hebben ook daadwerkelijk op die basis afgerekend, en hebben vastgelegd dat de eenmanszaak zelf zorg draagt voor afdracht van premies en belastingen. Appellant zelf heeft voorts bij herhaling ervan blijk gegeven dat hij de voorkeur gaf aan een freelanceovereenkomst boven een (tijdelijke) aanstelling. Tot slot geldt dat Windesheim heeft gesteld dat appellant zich in geval van ziekte door een andere freelancer mocht laten vervangen. De rechtsverhouding tussen partijen is daarom terecht niet als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd. De kantonrechter heeft de zaak in het vonnis van 2 december 2014 dan ook eveneens terecht verwezen naar de handelskamer van de rechtbank. Artikel 7:658 BW legt op de (materiële) werkgever, ook in een geval als het onderhavige waarin sprake is van een overeenkomst van opdracht, de verplichting al die maatregelen te nemen die kunnen voorkomen dat de werknemer (opdrachtnemer) in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De stellingen van opdrachtnemer houden echter niet in dat dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Zijn stellingen komen erop neer dat hij schade heeft geleden (zowel materieel als immaterieel) doordat Windesheim op onzorgvuldige wijze is omgegaan met signalen over ongewenst gedrag van hem, met als gevolg dat zijn goede naam is aangetast, hij psychisch beschadigd is geraakt en de overeenkomst (van opdracht) ten onrechte niet is verlengd. Daarmee beroept hij zich voor zijn vorderingen dus niet op enig 'arbeidsongeval' dat hem tijdens zijn werkzaamheden zou zijn overkomen en waardoor hij materiële en/of immateriële schade zou hebben geleden. De vorderingen van opdrachtnemer zijn derhalve niet toewijsbaar op de grond dat Windesheim haar zorgplicht van artikel 7:658 lid 4 BW heeft geschonden. Dat laat onverlet dat op Windesheim in haar hoedanigheid van opdrachtgever wel de plicht rustte om de belangen van opdrachtnemer te bewaken en daar zorgvuldig mee om te gaan. Schending van die zorgplicht kan Windesheim jegens opdrachtnemer aansprakelijk maken (op grond van wanprestatie en/of onrechtmatige daad). De nieuwe signalen over ongewenst gedrag van de opdrachtnemer hebben ‘B’ gebracht tot de conclusie dat verlenging van de overeenkomst een te groot risico met zich bracht. Die conclusie mocht en kon hij trekken nu hij namens Windesheim had te beoordelen of het aangaan van een nieuwe overeenkomst met opdrachtnemer verantwoord was en de ontvangen nieuwe signalen talrijk en niet onbeduidend van aard waren. Windesheim diende niet alleen de belangen van opdrachtnemer in het oog te houden, maar moet ook zorgen voor een veilige (leer)omgeving voor haar studenten. Waar de signalen van dien aard waren dat, ook objectief bezien, Windesheim mocht vrezen dat voortzetting van de samenwerking met opdrachtnemer die veiligheid zou kunnen aantasten, acht het hof het gerechtvaardigd dat Windesheim dat (zwaarwegende) belang heeft laten prevaleren door te besluiten om de samenwerking met opdrachtnemer niet voort te zetten zonder dat eerst grondig onderzoek was gedaan naar de juistheid van de signalen. Een dergelijk onderzoek had alleen kunnen plaatsvinden tijdens een verlenging van de samenwerking, zodat een verlenging zou conflicteren met de zorg voor een veilige (leer)omgeving. Van onrechtmatig handelen van Windesheim was dan ook in zoverre geen sprake.