Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 19 juli 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:3148
werknemer/Metallics B.V.
Feiten
Werknemer is op 9 juli 2013 in dienst getreden van Metallics B.V. (hierna: ‘Metallics’) op basis van een ‘thuiswerkovereenkomst’ voor bepaalde tijd tot en met 31 december 2013. Werknemer was toen 68 jaar. De laatste functie die hij vervulde, was die van administratief medewerker. De thuiswerkovereenkomst is per 1 januari 2014 schriftelijk verlengd voor de duur van één jaar, tot en met 31 december 2014. Metallics heeft per 1 januari 2015 een door haar ondertekende arbeidsovereenkomst aan werknemer aangeboden voor de duur van een half jaar, tot en met 30 juni 2015. Werknemer heeft vervolgens zijn werkzaamheden voortgezet tot 2 december 2015. Werkgever heeft in een brief van 8 december 2015 aan werknemer geschreven dat zijn arbeidsovereenkomst per 31 december 2015 van rechtswege zal zijn beëindigd. Metallics heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met werknemer – voor zover deze nog bestaat – te ontbinden tegen de vroegst mogelijke datum en voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst met werknemer met ingang van 1 januari 2016 van rechtswege is geëindigd en dat het vanaf die datum door Metallics aan hem uitgekeerde salaris als onverschuldigd betaald dient te worden terugbetaald. Na bewijslevering heeft de kantonrechter bij eindbeschikking voor recht verklaard dat de arbeidsovereenkomst tussen Metallics en werknemer van rechtswege tot een einde is gekomen met ingang van 1 januari 2016. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het vanaf die datum door Metallics aan werknemer uitgekeerde salaris van € 1.834,95 bruto per maand onverschuldigd is betaald en daarom door werknemer moet worden terugbetaald. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.
Oordeel
Tussen partijen is niet in geschil dat Metallics eind 2014 aan werknemer te kennen heeft gegeven dat zijn arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2015 zou worden verlengd voor een periode van zes maanden. Het hof volgt werknemer niet in zijn betoog dat aanvankelijk een arbeidsovereenkomst voor de periode van 1 januari tot 1 juli 2015 was overeengekomen. Uit de verklaringen van de directeur van Metallics en getuige 1 leidt het hof af dat werknemer in januari 2015 een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor de periode 1 januari tot 1 juli 2015 heeft ontvangen, waarmee werknemer niet heeft ingestemd. De enkele omstandigheid dat de directeur van Metallics als getuige heeft verklaard dat 'het laatste contract dat we hadden afgesproken was van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015', maakt dit oordeel niet anders. Zowel de directeur van Metallics als getuige 1 heeft verklaard dat werknemer het niet eens was met de duur van de arbeidsovereenkomst, zodat niet kan worden geoordeeld dat werknemer die overeenkomst heeft aanvaard. Het gegeven dat werknemer heeft verklaard dat in mei 2015 een arbeidsovereenkomst voor de periode van 1 januari tot 1 juli 2015 in zijn postbakje lag en dat hij die overeenkomst daarna heeft getekend en aan de directeur van Metallics heeft gegeven, maakt de getuigenverklaringen van de directeur van Metallics en getuige 1 niet ongeloofwaardig. Dit geldt temeer nu werknemer tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep minder stellig was over de feitelijke gang van zaken, waaronder de wijze van inlevering van de arbeidsovereenkomst van 1 januari tot 1 juli 2015; hij heeft toen verklaard 'ik heb het gewoon ingeleverd'. Op de vragen van het hof in welke periode dit specifiek was, heeft werknemer geen concreet antwoord gegeven. De door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor de periode van 1 januari tot 1 juli 2015, die Metallics naar haar zeggen pas bij de dagvaarding in kort geding van 27 januari 2016 van werknemer heeft ontvangen, levert gezien voornoemde (tegen)bewijslevering tussen partijen dan ook geen dwingend bewijs op. Het hof onderschrijft verder de bewijswaardering door de kantonrechter dat Metallics is geslaagd in het haar opgedragen bewijs dat de derde arbeidsovereenkomst (van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015) van rechtswege is geëindigd op 31 december 2015. De vraag op wiens verzoek de arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 januari tot 31 december 2015 tot stand is gekomen, is niet relevant. Al zou dit op verzoek van de directeur van Metallics zijn gebeurd, zoals werknemer heeft betoogd, dan nog geldt dat overeenstemming is bereikt over de einddatum van 31 december 2015. Dat werknemer pas later, na de aanzegging van het ontslag per 31 december 2015, besefte dat de aanzegging van het ontslag – volgens hem – niet correct was, komt in de gegeven omstandigheden voor zijn rekening en risico.