Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 16 juli 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:5740
VOF Co-Pe Horeca/werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 1 juni 2014 bij VOF Co-Pe Horeca (hierna: Co-Pe) in dienst getreden, laatstelijk in de functie van barmedewerkster. Op 13 november 2016 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Vervolgens heeft zij op 15 november 2016 een officiële waarschuwing ontvangen. De specifieke reden voor het geven van deze waarschuwing is gelegen in twee omstandigheden. De eerste omstandigheid is dat werkneemster geen gevolg heeft gegeven aan de instructie van een vennoot om kranten op te halen. Ook zou werkneemster in dit verband hebben opgemerkt dat zij ‘wel iets beters te doen heeft’. De tweede omstandigheid deed zich voor toen werkneemster door een andere vennoot erop werd gewezen om doppen op voedselwaar te doen. Werkneemster heeft toen, in het bijzijn van klanten, op luide toon tegen haar leidinggevende gezegd dat zij altijd ‘wat te zeiken’ heeft. Op 15 december 2016 heeft de bedrijfsarts geconstateerd dat werkneemster medische klachten heeft en dat sprake is van spanningen in de arbeidsrelatie. Partijen hebben deelgenomen aan een mediationtraject, maar dit mocht niet baten. In april 2017 heeft een vennoot een gps-tracker onder de auto van werkneemster geplaatst, in de hoop op deze manier te kunnen aantonen dat werkneemster schoonmaakwerkzaamheden bij particulieren verrichtte en dus wel in staat was om arbeid te verrichten. Co-Pe is van mening dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duurzaam is verstoord. Zij verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst; primair op de g-grond en subsidiair op de h-grond.
Oordeel
Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)
De kantonrechter is van oordeel dat de door Co-Pe gestelde verstoring niet van zodanige aard is dat niet meer van Co-Pe kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De in de officiële waarschuwing beschreven gedragingen zijn onvoldoende om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen. Hierbij komt dat de officiële waarschuwing pas na ziekmelding door werkneemster is gegeven én werkneemster sindsdien feitelijk geen werkzaamheden voor Co-Pe heeft verricht, zodat zij niet daadwerkelijk een kans heeft gekregen haar houding te verbeteren. Ook na de officiële waarschuwing hebben zich geen incidenten voorgedaan die blijk zouden kunnen geven van een verstoring in de arbeidsverhouding. De kantonrechter merkt voorts op dat de arbeidsverhouding wel door het plaatsen van de gps-tracker op scherp is gezet en dat deze gedraging als verwijtbaar kan worden aangemerkt. Desondanks leidt deze gedraging niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat werkneemster ter zitting heeft aangegeven dat zij het toch nog ziet zitten om haar dienstverband bij Co-Pe voortzetten. Het ontbindingsverzoek op de g-grond wordt afgewezen.
Overige omstandigheden (h-grond)
In het kader van de invulling van de h-grond heeft Co-Pe benadrukt dat zij een groot financieel belang bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft en niet over een arbeidsongeschiktheidsverzekering beschikt. De kantonrechter overweegt in dit verband dat het niet aan hem is om hierover een oordeel te geven vóórdat het UWV dat heeft gedaan. Bovendien geldt dat indien van de bedrijfseconomische omstandigheden als redelijke ontbindingsgrond moet worden uitgegaan, op grond van het opzegverbod tijdens ziekte, de arbeidsovereenkomst van werkneemster niet beëindigd kan worden, zolang zij arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Verder oordeelt de kantonrechter dat de h-grond louter is bedoeld voor situaties die niet onder het bepaalde in artikel 7:669 lid 3 sub a t/m g BW vallen. Het is niet de bedoeling om een slechte financiële positie van de werkgeefster (a-grond) én de arbeidsongeschiktheid van een werkneemster onder artikel 7:669 lid 3 sub h BW te scharen. Het ontbindingsverzoek is derhalve evenmin toewijsbaar op de h-grond.